'Ik stem op iemand die op me lijkt' is al generaties lang een vanzelfsprekendheid voor de Surinaamse kiezer. Wie de macht wil veroveren, moet dan ook een veelkleurig blok smeden. Behalve als hij Bouterse heet.
,,Onze nationale volksleider! Sranaman!'' Voor Desi Bouterse, presidentskandidaat van de Nationale Democratische Partij, is 'Surinamer' een eretitel. Als enige van de drie grote stemmentrekkers bij de parlementsverkiezingen roert zijn partij de nationalistische trom.
NDP-sprekers mogen er graag op wijzen dat Suriname, als je rekent in natuurlijke hulpbronnen als goud, bauxiet en tropisch hout, het op zestien na rijkste land ter wereld is. Dat de Surinamer zelf tamelijk arm is, komt onder andere door Nederland, dat met zijn financiële hulp en ambtelijke bijstand op bijvoorbeeld belastinggebied alleen maar probeert een vinger in de pindasoep te houden.
En in één opzicht is de NDP ook werkelijk de meest Surinaamse partij: de boodschap van Bouterse wordt vertolkt door politici van wie de gelaatstrekken uit alle hoeken van de wereld komen. Ook onder zijn toehoorders op verkiezingsbijeenkomsten zijn er mensen met voorouders uit Afrika, India, Indonesië, en China, de bevolkingsgroepen die ooit zijn binnengesleept of -gelokt in het bedrijf dat Suriname toen was.
Terwijl Bouterse dondert en bliksemt tegen Nederland, noemt president Ronald Venetiaan het land in zijn verkiezingsspeeches praktisch nooit. Hij heeft het juist graag over zijn voorgangers. Over Desi Bouterse die de democratie om zeep hielp, en Jules Wijdenbosch, die hetzelfde deed met de economie.
Wat Venetiaan daar tegenover stelt is stabiliteit. Die van de Surinaamse dollar bijvoorbeeld, die de Surinamers verloste van hun door vele nullen ontsierde guldensbiljetten. Die stabiliteit staat symbool voor rust in de economie, waardoor ondernemers weer eens iets durven te proberen en de werkgelegenheid toeneemt. Op den duur komt er dan weer ruimte voor productie, ook zo'n sleutelwoord in het Surinaamse politieke debat. Het wil zeggen dat Suriname al die natuurlijke rijkdommen meer zelf gaat verwerken. Dat moet dan leiden tot het derde sleutelwoord: ontwikkeling.
Om die te laten plaatsvinden, heeft de regerende coalitie een verlenging van haar mandaat nodig. Mek un wroko go doro! -laat ons werk doorgaan!- is de leus van het Nieuw Front, waarin de NPS samenwerkt met de Hindoestaanse Verenigde Hervormingspartij (VHP), de Surinaamse Partij van de Arbeid (SPA) en de Javanen van Pertjajah Luhur (PL).
Die laatste partij gaat binnen het Nieuw Front een beetje zijn eigen weg. In het partijkantoor gaat regelmatig een winkeltje open waar bejaarden en partijleden goedkope levensmiddelen kunnen krijgen. Dat draagt niet bepaald een positieve boodschap uit over het door Nieuw Front gevoerde beleid, maar het is belangrijker om je eigen mensen te laten zien dat ze goed af zijn met jou.
De PL is een nieuweling binnen het Nieuw Front. De partij kwam erin toen de grote Javaanse partij van oudsher, de KTPI, het Nieuw Front inruilde voor de Volksbeweging voor Vrijheid en Vooruitgang (VVV), het multi-etnische partijenblok van oud-president Jules Wijdenbosch. Aan diens regeringsperiode heeft Suriname geen goede herinneringen, maar daar staat tegenover dat Wijdenbosch veel moois belooft, zoals pensioensverhoging.
Verder probeert Wijdenbosch een imago op te bouwen van een bedachtzaam staatsman: hij hield de afgelopen tijd 'hoorzittingen' met deskundigen, om te horen wat ze van zijn plannen vinden. Dat leverde voor hem geen gunstig antwoord op: met zijn beloften zou hij de staatskas even rap legen als in zijn vorige regeerperiode met de bruggen over de Suriname- en de Coppename-rivier. Daar had Wijdenbosch wel weer een antwoord op: hij verzocht de deskundigen 'rekening te houden met de tijdgeest waarin verkiezingspropaganda wordt gemaakt'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.