Bij de Auschwitzherdenking werden de namen genoemd van de 102000 joden die via Westerbork uit Nederland werden weggevoerd.
Ik herinner me een zaterdag halverwege de oorlog in ons kantoor op de 's Gravendijkwal te Rotterdam. De directeur zit in de voorkamer met zijn assistent. Hij is geen kwaaie vent, maar vreselijk grof in de mond. In de achterkamer zit ik, de boekhouder, samen met Louis Wolf, onze vertegenwoordiger. Op zijn jas draagt hij een davidster. De directeur leest een rapport en zegt iets tegen Louis. Hoe weet ik dat? anwoordt Louis. De directeur: Weet ik veel, hoe komt een jood aan luizen? Zachtjes zegt Louis tegen mij: van de christenen. Dan zegt hij: ik heb een onsje kaas op de kop getikt. Wil je ook een plakje? Graag natuurlijk. Bedachtzaam eet hij verder, hij aarzelt bij het laatste plakje, breekt het doormidden en geeft mij de andere helft.
Dit is de laatste keer dat ik hem heb gezien. Korte tijd daarna wordt hij naar Westerbork gedeporteerd samen met zijn vrouw, zijn zoon Mau, zijn dochter Magteld en zijn schoonzoon Izak Koekoek. Vanuit Westerbork stuurt hij een met potlood geschreven brief aan een rederij in Scheveningen (een klant van ons). Ik herinner me alleen de laatste zin: het gaat goed met Anglia (Engeland).
Aan onze klanten werd een bericht verstuurd: door omstandigheden en tegen zijn en onze wil is onze vertegenwoordiger de heer L. Wolf niet langer bij ons in dienst.
Een NSB-krant (vermoedelijk Volk en Vaderland) schreef: hij is met grote spoed vertrokken naar het oosten, de vennootschap moet het voortaan stellen zonder de jodengein van Levi Wolf.
Oud geworden dwalen hun gezichten 'snachts door mijn geest. Die zaterdag op de 'sGravendijkwal te Rotterdam staat in mijn geheugen gegrift. Ik zou ze zo herkennen. Ik hoop dat ook hun namen genoemd zijn. Zo komen ze een moment tot leven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.