Dreigen met het dienstwapen door de politie is bijna altijd effectief. Daarna blijft slechts 3 procent van de verdachten zich verzetten tegen aanhouding. Voor de politiehond zijn verdachten nog banger: maar 1 procent holt door.
Hoogleraar politierecht Jan NaeyƩ concludeert in zijn gisteren bekend gemaakte onderzoek naar de politiepraktijk in 2000, dat agenten niet snel hun pistool trekken. Er zijn bijna 32000 politiemensen. In het jaar 2000 maakte een op de tien agenten een geweldsincident mee. Slechts enkele tientallen keren kwam het tot schietpartijen, waarbij drie doden door politiekogels vielen.
Opvallend is dat dreigen met het wapen meestal succes heeft. Politiemensen maken er mondjesmaat gebruik van om een verdachte zijn verzet te laten opgeven. Vrijwel altijd gaat het om gewelddadige verdachten. Toch is het percentage dat de politie echt aanvalt maar 5 procent. In 20 procent van de incidenten gaat het om mensen die een wapen, hamer of biljartkeu hebben.
Een ander middel om aanhoudingen te versoepelen of een situatie beheersbaar te maken, is de hond, al sinds 1910 bij de politie in gebruik. In minder dan 1 procent van de incidenten werd na de inzet van de hond het doel niet bereikt. De politie zet honden in om agressieve of vluchtende verdachten zich te doen overgeven. Ook wordt de hond preventief gebruikt bij rellen. In politietermen zorgen de hond en zijn begeleider voor een 'achtergrondje' voor collega's, zodat die aanhoudingen kunnen doen of charges kunnen uitvoeren. NaeyƩ noemt de hond een 'zwaar geweldsmiddel', tenminste als er gebeten wordt. In 2000 werden honden bijna 350 keer ingezet en bijna 250 keer liep de verdachte letsel op.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.