*

 

Niet-giftige weekmaker is moeilijk te slijten

door Jeroen den Blijker − 19/12/05, 00:00

Weekmakers, die volop in speelgoed worden verwerkt, zouden giftig zijn. De Wageningse universiteit heeft een 'gezonde' variant ontwikkeld, maar raakt die aan de straatstenen niet kwijt.

Op tafel ligt een stuk rubberlaars. Ogenschijnlijk gewoon rubber. ,,Toch niet“, zegt dr. Harriëtte Bos van AFSG, het onderzoeksinstituut van de Wageningse universiteit: ,,Voor de ene helft zijn traditionele weekmakers gebruikt, voor de andere de weekmaker die wij, in samenwerking met bedrijven, vervaardigden uit zetmeel.“

Een interessant product, vooral nu de traditionele, uit de petrochemie afkomstige weekmakers onder vuur liggen. Bos: ,,Weekmakers worden veel gebruikt; wereldwijd bedraagt de jaarlijkse productie 4,5 miljoen ton. Alleen al in Nederland is de productie per hoofd van de bevolking twintig kilo.“ Want weekmakers -oorspronkelijk vooral bedoeld om pvc flexibel te maken- kennen legio toepassingen. Denk maar aan de Scoubidou-touwtjes, maar ook aan het plastic van elektriciteitskabels, verf, lijm, tapijt of parfums. In dat laatste product zijn weekmakers geurdragers.

Maar rond weekmakers hangt ook een ander luchtje. Verschillende veelgebruikte soorten zouden hormoonverstorend en kankerverwekkend zijn. Daarom wil Brussel de grenzen sluiten voor speelgoed of -verzorgingsartikelen (bijtringen, spenen) waarin deze soorten verwerkt zijn.

,,Bij onze weekmaker uit maïs- of aardappelzetmeel is bij uitgebreide tests geen toxisch effect gebleken“, zegt Bos. De prijs van de nieuwe weekmaker is concurrerend; wordt niet beïnvloed door de olieprijs en kan een steuntje in de rug betekenen voor de Nederlandse akkerbouwers en industrie.

Desondanks liep na ruim drie jaar proberen de marktintroductie vast. Bos: ,,Het is de innovatieparadox die we wel vaker in Nederland zien.“ Innovaties overstijgen vaak traditionele kaders en doorkruisen geijkte patronen. Om de nieuwe weekmaker succesvol te maken moeten agrobedrijven en de chemie samenwerken. ,,Terwijl die sectoren elkaar tot nu toe helemaal niet kennen“, analyseert de onderzoekster. ,,Er zijn wel chemische bedrijven die het nieuwe product willen afnemen, maar dan gaat het om beperkte hoeveelheden. Mede hierdoor aarzelen agrobedrijven om te investeren in de productie van de nieuwe weekmaker. “

,,Bij de chemie bestaat bovendien huiver tegen natuurlijke grondstoffen. Die sector is gewend aan vaste standaarden en vreest bruine vloeistof, omdat ze gewend is aan heldere, kleurloze weekmakers. Terwijl de agroindustrie juist heeft geleerd om met grondstoffen van uiteenlopende kwaliteiten om te gaan. Die industrie verstaat de kunst om daarvan uiteindelijk één en hetzelfde kleurloze product te maken.“

Bij de ontwikkeling van de weekmaker werkte het onderzoeksinstituut in Wageningen weliswaar nauw samen met twee consortia, van beide partijen. ,,Maar de ontwikkeling duurde jaren. In de tijd zie je het beleid van bedrijven veranderen. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf wordt overgenomen, of de strategie wijzigt. De bedrijven die bij de ontwikkeling van de weekmaker waren betrokken, zijn daardoor niet meer logischerwijs de bedrijven die de productie ter hand nemen.“

In een nieuwe poging om een doorbraak te forceren, brengt Bos de eisen van potentiële producenten en afnemers in kaart en probeert ze tussen beide partijen contacten te leggen. Ook brengt ze potentiële afnemers op één lijn. ,,Misschien is het dan mogelijk zoveel vraag te organiseren, dat het wél interessant wordt om te investeren in de productie van de weekmaker. Zo moet het uiteindelijk wel gaan lukken.“

mailIcon print |