*

 

'De kolchoz is een groot zwart gat'

Tekst Jelle Brandt Corstius − 26/10/05, 00:00

De collectieve boerderij, de kolchoz, bestaat in Rusland nog. In het hoge noorden houden Nenets-nomaden rendieren in dienst van de staat. Het leven op de toendra is hard en het levert weinig op. Veel rendierhouders zoeken hun troost in de alcohol. Geen wonder dat deze rendierbrigades in rap tempo over de kop gaan.

'En nu is het genoeg. Ik ga naar huis!,“ roept rendierherder Prokopi Javtisi tegen niemand in het bijzonder. Even daarvoor is hij voor de vijfde maal na een dronkemansgevecht de tsjum, een tent gemaakt van rendierhuiden, uitgegooid. Nu rent hij de lege toendravlakte op. Na een halfuur is hij nog maar een stipje aan de horizon dat af en toe van dronkenschap in elkaar stort.

Dit is het harde leven op rendierbrigade nummer vijf in het noorden van Rusland. De brigade maakt deel uit van collectieve boerderij 'Vjoetjinski'. Deze boerderijen, oftewel kolchozen, waren in de sovjettijd wijdverspreid. Nu is er nog maar een handvol van over, vaak in afgelegen gebieden. Het graasgebied bevindt zich boven de poolcirkel, aan de onherbergzame kust van de Barentsz-zee. Aan de andere kant van het water ligt Nova Zembla.

Sinds 1990 is de financiĆ«le steun van de staat aan dergelijke kolchozen sterk teruggeschroefd. In de communistische tijd, vertelt Andrej Javtisi in de tsjum, was Vjoetjinski de beste kolchoz in de regio, waar toen nog zeventigduizend rendieren rondliepen. Nu is dat gekelderd naar vijfduizend dieren. “Vroeger had elke brigade een helikopter. Nu moeten we zelf maar uitzoeken hoe we thuis komen“, bromt Javtisi.

Dertien was Andrej toen hij begon met rendierhouden. Twee maanden verblijft hij in het nabijgelegen dorp Nelmin Nos, en twee maanden werkt hij op de toendra. De brigade werkt in loodzware ploegendiensten: twaalf uur op, twaalf uur af. Er zijn altijd twee herders bij de kudde. Als er geen sneeuw ligt, is het werk nog zwaarder, aangezien de slee dan over de zompige toendra hobbelt. Om de paar maanden verhuist de brigade met tsjum en al naar nieuwe weidegronden voor de rendieren.

Andrej en Pokropi behoren tot de Nenets, een nomadische bevolkingsgroep van 40000 mensen die een gebied bevolken zo groot als West-Europa. In de sovjettijd werden de Nenets gedwongen in dorpen te gaan wonen in het kader van een 'beschavingsoffensief', dat inderdaad effect had: door de leerplicht werd het analfabetisme sterk teruggedrongen. Maar dat ging weer ten koste van andere dingen, zoals tradities en de taal van de Nenets.

's Avonds in de tsjum, met de wodka op tafel, vertelt Oleg Talejev trots over zijn vader, die in de Tweede Wereldoorlog tegen de Duitsers vocht. “Natuurlijk voel ik mij Nenets, maar ik ben vooral een Rus. Mijn grootvader vocht voor Rusland.“ De rendierhouders praten onderling Russisch, behalve als zij met de kudde op stap zijn, dan wordt er Nenets gesproken.

“Ik spreek het nog wel, maar mijn kinderen niet meer, zij kunnen hooguit een paar woordjes verstaan. Zo gaat dat“, concludeert Andrej nonchalant. Die kinderen hebben weinig zin om hun ouders op te volgen. De tweelingbroers Vova en Grisja (9) dromen ervan tandarts te worden, of psycholoog. Rendierhouder staat niet op hun lijstje.

Niet elke brigade is in de dezelfde deplorabele staat als 'nummer vijf', vertelt Anton (18), die opgroeide bij een brigade even verderop. Zojuist heeft hij een rendier uit de kudde gelassood en voor de slee gespannen. “Bij ons worden de rendieren met respect behandeld. Bijvoorbeeld, als wij een rendier gaan slachten, halen wij eerst zijn ogen eruit, die gooien we in een meertje. Zo kan de ziel van het rendier niet zien dat het wordt geslacht“, vertelt Anton, nog nahijgend van het lassoĆ«n.

Dat is op dit kamp wel anders. Rendieren worden in het bijzijn van de kudde geslacht, de ogen blijven er gewoon in zitten. Slordig verspreid over het hele kamp liggen hoofden, hoeven en magen. Als je 's nachts over het terrein loopt moet je oppassen dat je niet over een of ander rendierledemaat struikelt. “Vroeger waren er zeven brigades. Nu nog maar vier“, vertelt Anton.

Gevraagd naar de reden klopt hij met zijn wijsvinger tegen zijn hals: in Rusland het gebaar voor alcohol.

De komst van een rupsvoertuig vormt het startsein van een driedaags drankbacchanaal. Alleen dit voertuig kan over de moeilijke toendragrond rijden. Het vormt de enige link met de bewoonde wereld. De chauffeur komt met een doos met twintig flessen wodka aansjouwen.

Drie dagen later rijdt hij terug met drie gevilde en in stukken gesneden rendieren. Hier, in het verlaten poolgebied ver van Moskou, is de informele ruileconomie van de sovjettijd nog lang niet verdwenen. Nu is het kamp behalve met stukken overbodig rendier ook bezaaid met flessen Stolitsjnaja-wodka. Met elke sleetocht gaan twee kinderen mee. Om hun dronken ouders op de slee te houden, vertelt Anton beschaamd.

Vladislav Peskov moet even zuchten als hij hoort over de situatie bij brigade nummer vijf. Peskov staat aan het hoofd van de stichting Jasavej, die probeert de leefsituatie voor de Nenets-rendierhouders te verbeteren. “Deze mensen krijgen te weinig salaris, rond de 100 euro in de maand, en lokale politici doen te weinig voor hen. Geen wonder dat een aantal van hen aan de drank raakt“, vertelt Peskov in zijn kantoortje in Narjan-Mar, de hoofdstad van het Nenets-territorium.

Waarom wordt dit kolchozensysteem dan niet verbeterd, of desnoods opgeheven? Peskov kan een glimlachje niet onderdrukken over zoveel westerse naïviteit: “Het is voor iedereen duidelijk dat dit kolchozsysteem niet werkt. Maar het bestaat nog steeds. Ik weet wel waarom. Het is niet om die rendierhoeders te steunen. Die zien uiteindelijk weinig van het geld uit Moskou. Dat belandt namelijk in de zakken van de tussenpersonen, de lokale politici, de managers. Die willen dit systeem zo lang mogelijk in stand houden, ten bate van zichzelf. De kolchoz is een groot zwart gat.“

Het heeft voor Jasavej dan ook weinig zin om de rendierhouders in de kolchozen financieel te steunen. In plaats daarvan steekt de organisatie geld in de oprichting van obsjtsjina, particuliere rendierhouderijen. Jasavej steunt intussen een tiental gezinnen dat rendieren voor zichzelf houdt, en probeert oude Nenets-tradities nieuw leven in te blazen. Deze aanpak heeft volgens Peskov succes: “Als je een eigen bedrijf hebt, dan heb je er belang bij dat je kudde gezond blijft. En dan kun je je niet veroorloven om het overdag op een drinken te zetten.“

Andrej Javtisi ziet het niet voor zich dat hij ooit nog een particuliere rendierhouderij begint: “Kijk naar mij! Ik heb altijd in de kolchoz gewerkt. Wat weet ik nou van een bedrijf runnen?“ Het lijkt erop dat Andrej de rest van zijn leven zal slijten op brigade nummer vijf. Dat wil zeggen: als de kolchoz tegen die tijd nog niet is opgedoekt.

Deze productie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

mailIcon print |