De onderwijzer moet een duizendpoot zijn, die kinderen rekenen en schrijven leert, maar ook goede manieren bijbrengt. Die eis is al twee eeuwen oud en het gemopper erover ook.
Waar is de tijd gebleven van de schoolmeester met aanzien en gezag, de arbeiderszoon die zich via de kweekschool als 'universiteit van de armen' ontplooide tot een geziene figuur in het culturele leven. Die zowel door zijn voorbeeldgedrag als zijn lesstof bijdroeg tot de verheffing van zijn klasse? Die tijd is nooit geweest, laat Mineke van Essen zien in haar vandaag gepresenteerde boek over tweehonderd jaar kweekschool.
“Bij leven al was hij legende, de Groninger kweekschooldirecteur Berend Brugsma (1797-1868).“ Treffend in de omgang met leerlingen en aankomend onderwijzers, altijd het goede voorbeeld gevend met hoffelijk gedrag en bezoek aan culturele evenementen, in zijn vrije tijd immer aan het studeren en al zijn vakantiedagen opofferend aan werkbezoeken aan scholen in omringende landen.
Bij dit beeld, waarmee historica Mineke van Essen haar geschiedschrijving opent over twee eeuwen onderwijzersopleiding, steekt het imago van de huidige leraar op de basisschool schril af. Ongecijferd en ongeletterd, verstoken van aanzien en salaris, zelfs na lange vakanties nog vaak overspannen: bij de negentiende-eeuwer Brugsma zou zij - want het zijn allemaal vrouwen geworden - nog moeite hebben als klassenassistent het hoofd boven water te houden.
Van Essen laat direct daarna uitgebreid zien hoe constant de kritiek op de onderwijzer is geweest. Zo had Brugsma er de mond van vol. Nederland zat vol met grote klassen met kinderen van alle leeftijden door elkaar heen waar uiterst mechanisch rijtjes werden gestampt, en al even mechanisch - en met plak en roede! - het gewenste godsbeeld werd doorgegeven.
Brugsma en zijn collega in Haarlem - directeuren van de eerste twee dagopleidingen voor onderwijzers - werden gedreven door de maakbaarheidsidealen uit de Verlichting. Juist de kindertijd was volgens hen een uitgelezen kans om een nieuwe burger te scheppen. Een deugdzaam type, dat zelf kon nadenken. Brugsma publiceerde daarover regelmatig in vaktijdschriften. Niet kennis stampen was zijn ideaal, maar denkkracht: 'kennis is macht'.
Onderwijzers moesten daarom weten aan welke kennis leerlingen iets hadden, zoals rekenen, en eveneens vertrouwd zijn met de fasen van de kinderlijke ontwikkeling. De enige manier om de oude bewaarmeester te vervangen door dit nieuwe type leerkracht, was hervorming van de onderwijzersopleiding.
Dat is ook de discussie van deze tijd: moet het om vakkennis gaan of om denkkracht? Oud of Nieuw Leren? Moet de aankomend leraar vooral goed kunnen rekenen of vooral goed kinderen kunnen begeleiden? Beide partijen brengen vol vuur hun argumenten aan, alsof ze nieuw zijn. Helaas, het is niets meer dan het rituele zwaaien van de slinger, laat Van Essen zien.
Zo was er in de negentiende eeuw veel kritiek op de ingewikkelde rekensommen en gedetailleerde grammatica-opgaven die kwekelingen moesten beheersen. In de eerste helft van de twintigste eeuw vonden velen weer de lesstof in pedagogiek en didactiek een 'zwamvak'. Na 1945, toen beide elementen werden gecombineerd, was de kweekschool weer 'van alles eigenlijk niks'.
Van Essen maakt in een epiloog dan ook gehakt van de gedachte 'vroeger was alles beter'. “Vooral buiten de kringen van de direct betrokkenen bestaat de neiging om met heimwee terug te kijken naar vroeger, waarmee dan meestal de opleidingstijd van de huidige vijftigers en zestigers wordt bedoeld“, schrijft ze. “De publieke opinie zoals die zichtbaar wordt in de landelijke media bepleit daarom strijk en zet terugkeer naar de onderwijzersopleiding van gisteren.“
“De vooropleiding schoot volgens de tijdgenoten altijd al tekort, over het intellectuele niveau van kwekelingen is veel geklaagd, ambitieuze jongens lieten het te vaak afweten of vertrokken uit het onderwijs.“
Haar conclusie: bij vernieuwing van de onderwijzersopleiding door de eeuwen heen ging het niet in de eerste plaats om de opleiding zelf, maar om het bieden van een panacee voor alle kwalen waaraan onderwijzers volgens critici zouden lijden. Van lage status en lerarentekort tot ongemotiveerde docenten en slechte loopbaanperspectieven: de kweekschool moest het oplossen.
Begrijpelijk is het allemaal wel, meent de Groningse wetenschapper, want de eisen aan de lerarenopleiding zijn altijd zeer hoog, en soms zelfs tegenstrijdig geweest. “Telkens weer werd gezocht naar het ideale evenwicht tussen de drie traditionele componenten van de opleiding: intellectuele vorming en culturele geletterdheid, pedagogisch-didactische theorievorming en praktijkvoorbereiding.“
Wie vooral parallellen met de huidige toestand zoekt, moet overigens hard doorploeteren om alle uitgebreide anekdotes in het boek te verwerken. Van Essen is aan de Groningse universiteit verbonden als hoogleraar 'genderstudies', een leeropdracht waaraan ze trouw blijft met lange passages over de rol van de onderwijzeres. De kweekschool is lange tijd een plek waar vrouwen niet welkom zijn, hun rol beperkt zich tot het moederinstinct en daarmee schop je het hoogstens tot de opleiding voor bewaarschool, de kleuterschool.
Van Essen prikt terloops nog een andere mythe door, die van de kweekschool als 'universiteit voor de armen', de enige plek waar arbeiderskinderen alsnog een opleiding in het hoger onderwijs verkregen. Om na een diploma alsnog de akte voor hoofdonderwijzer te halen, en zo door naar de aktes voor het voortgezet onderwijs. Ook die groep was slechts beperkt aanwezig.
Overigens, de negentiende-eeuwse kweekschooldirecteur Brugsma had idealen die tot ver buiten het klaslokaal reikten. De beste onderwijzer was, vond hij, iemand die ook cultuurdrager was, de arme sloebers ook normen en waarden bijbracht. Iemand die daarom ook zelf flink wat intellectuele en culturele bagage meebracht. Later zou Theo Thijssen dit ideaal uitdragen.
Altijd zijn er zorgen geweest of dit ideaal wel bereikt zou kunnen worden. Immer ook waren er negatieve geluiden. Verschil met vroeger is wel dat het nu bijna vanzelfsprekend gevonden wordt dat de onderwijzer niet de roede hanteert, maar de kinderen op andere manier bijbrengt hoe men geacht wordt te leren en te leven.
Het is misschien een wat schrale troost voor de kwekeling ofwel leraar-in-opleiding van deze tijd: als er iets hetzelfde is gebleven in tweehonderd jaar, is het de vrijwel constante kritiek op de onderwijzer.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.