*

 

De deur bleef openstaan

door Bart Zuidervaart − 03/07/06, 00:00

Negen bewaarders beginnen op 26 oktober 2005 aan hun avonddienst, in het detentiecentrum op Schiphol-Oost. Rond middernacht ontstaat brand op vleugel-K. Bij gebrek aan instructies en kennis, handelt het personeel op intuïtie. Elf mensen overlijden. Een reconstructie aan de hand van vijf getuigenverklaringen die vorige week voor de Haarlemse rechtbank klonken.

Het zal ongeveer 23.30 uur zijn, wanneer de portier naar gevangenbewaarder Roxana (25) belt: brandmelding op vleugel-D. Dat is onmogelijk, antwoordt Roxana. Zij werkt die avond op D, een afdeling voor bolletjesslikkers, en er is niets te zien. Direct daarna meldt collega Matiz van vleugel-A zich bij Roxana via de intercom: opnieuw een brandmelding, ditmaal op K, de vleugel van de vreemdelingen. Daar is na 22.00 uur geen toezicht, dus belt Roxana naar de nabijgelegen C-vleugel voor assistentie. Samir (24) neemt op. Samen rennen ze naar K.

Daar begint de rampnacht. Niet wetende welke tragedie ze te wachten staat, betreden Samir en Roxana de K-vleugel.

Roxana werkt op dat moment een jaar op het detentiecentrum Schiphol-Oost. „Ik heb nooit een brandoefening gehad”, zegt ze. Die zijn dat jaar volgens haar ook niet gehouden. „Daar had ik zeker over gehoord.” Roxana weet van een calamiteitenplan, maar heeft het nooit gelezen. „Ik dacht: het is niet nodig, alles ging altijd zo goed in het cellencomplex. Het zou in een geel mapje zitten, maar op kantoor lagen allemaal gele mapjes.”

Samir werkt één maand langer op Schiphol. Een calamiteiten- en ontruimingsplan zijn hem onbekend. Instructies hoe te handelen bij brand heeft hij nooit gehad, zegt hij. Waar de brandblussers hangen, hij weet het niet.

De twee bewaarders openen de toegangsdeur van de K-vleugel en schrikken zich rot. Linksachter, van onder de deur van cel 11, komt rook. Terwijl ze richting de cel rennen, drukt Samir de alarmknop op zijn pieper in. Uit de cel klinkt geschreeuw en gebons op de deur. De gedetineerde, een 23-jarige Libiër, is in paniek. Wat de bewaarders dan moeten doen, staat duidelijk beschreven in het calamiteitenplan: luikje van de celdeur openen, situatie bekijken, bij brand blussen via het luikje. Eventueel de gedetineerde ontsluiten en deur dichtdoen. Maar Samir en Roxana kennen dat calamiteitenplan niet. Bewaarder Samir opent onmiddellijk de deur. De Libiër valt naar buiten, waarna Samir hem naar het begin van de gang sleurt. De deur blijft openstaan. De vleugel trekt onmiddellijk vol dikke, zwarte rook.

Roxana beseft dat de andere ’bewoners’, zoals zij ze noemt, bevrijd moeten worden. Met collega-bewaarder Claudia opent ze de cellen. Ze beginnen vooraan. Roxana links, Claudia rechts. Samir blijft in het halletje tussen J en K. „Het werd een zwart verhaal”, vertelt hij. „Ik herinner me nog kleine stukjes. Ik heb me gefocust op de Libische jongen.”

Roxana en Claudia vechten tegen een muur van rook. „Ik hoorde veel geschreeuw uit de cellen, maar zag niets meer. De hitte was enorm.” Halverwege de cellenrij moeten ze terug. „Je hoort die bewoners die je wilt bevrijden. Ik voelde me al snel schuldig omdat het gewoon niet meer ging.”

Omdat Samir zijn pieper heeft ingedrukt, zijn de andere bewaarders inmiddels ook op de hoogte. Melvin (27) is die avond wachtcommandant, en dus de leidinggevende. Net als de meeste collega’s heeft hij een cursus bedrijfshulpverlening (BHV) afgelegd. Hij kent het calamiteitenplan en heeft één keer en brandoefening meegemaakt. Dat was zonder gedetineerden.

Wanneer zijn pieper afgaat, is Melvin op kantoor, samen met Antoinette (31) en Bas (25). Zij hebben nooit een brandoefening gehouden. Bas werkt er sinds september 2003. Bij zijn aantreden kreeg hij een boekje in handen ’hoe te handelen bij calamiteiten’. Nu zegt hij: „die informatie verwaterde. Je herlas dat boekje niet.”

Beiden weten wel dat evacuaties kruislings moeten plaatsvinden. Zo moeten bij brand de gedetineerden van K naar A, en van J naar D worden gebracht.

De portier en de wachtcommandant moeten volgens de regels als eerste de brandmelding krijgen, die avond weet Melvin het als één van de laatste. Hoe dat komt, is onduidelijk. Op Melvins pieper verschijnt alleen ’Unit K’. Met Bas rent hij buitenom het complex richting de achterkant van K, waar de nooddeur zit. Daar slaan de vlammen uit het gebouw. Melvin beveelt Bas niet naar binnen te gaan. „Anders zouden we ook in bodybags naar buiten komen.” Bas vertrekt dan om via een andere vleugel zijn collega’s te assisteren. Melvin blijft buiten, bij de nooddeur. „Ik hoorde wel mensen roepen binnen, maar er viel niets meer te redden.”

Volgens Melvin coördineert hij de evacuatie vanaf die plek, buiten bij de nooddeur. „De communicatie onderling was goed. Iedereen had contact met elkaar.” Roxana zegt: „Ik heb van niemand instructies gehad. De hele avond niet.” Samir: „Er was absoluut geen leiding. Het was één grote paniekmenigte.” Antoinette: „De wachtcommandant was buiten de boel aan het coördineren, hoorde ik later. Wat dat inhield, weet ik niet.” De meeste bewaarders hebben op dat moment geen portofoon.

Wanneer Antoinette arriveert bij K, ziet ze Roxana terugkomen uit de gang. Hoestend en in paniek gilt Roxana dat er nog mensen opgesloten zitten.. Antoinette antwoordt: „We gaan niet huilen.” Samen rollen ze een brandslang uit en kruipen de K-vleugel weer in . Na drie meter is de zuurstof op en keren ze om.

De bewaarders doen vervolgens wat het gevoel hen ingeeft. De bewoners van K worden naar de tegenovergelegen J-vleugel gebracht, waar het personeel ze naar de luchtkooi wil loodsen. De vreemdelingen verzetten zich. De nooddeur en de ramen van J worden aangevallen. Ze gooien met biljartballen en stoelen, zeggen bewaarders. Bas: „Ik beweer niet dat de biljartballen gericht werden gegooid, maar ze kwamen wel onze kant op.”

Bas en Samir begeleiden de vreemdelingen naar de luchtkooi, terwijl de drie vrouwelijke bewaarders de mensen uit de J-cellen bevrijden. De rook heeft dan ook die cellen bereikt.

De brandweer arriveert aan de buitenkant van de nooddeur van J. De deur is op slot. Alleen Melvin, de wachtcommandant, heeft de sleutel. Hij staat nog bij de K-nooddeur. Daarom knipt de brandweer de tralies kapot. Binnen worden de brandweerlieden op weg naar de brandhaard in K, tegengehouden door rondvliegende spullen. Agenten van de marechaussee schieten te hulp. Ze schieten enkele malen in de lucht en houden opstandige gedetineerden onder schot. Pas dan kunnen de brandweerlieden de oversteek maken naar vleugel-K. De brand is om 03.00 uur meester. In de cellen vinden ze elf verkoolde lichamen.

Enkele bewaarders werken nog steeds op het detentiecentrum. Inmiddels kent iedereen het ontruimings- en calamiteitenplan. Volgens Bas, kreeg hij vóór 26 oktober 2005 nooit de verplichte opfriscursus voor zijn diploma bedrijfshulpverlening. Deze kreeg hij twee weken ná de brand wel.

Aan het personeel is na deze nacht traumahulp en slachtofferhulp aangeboden. De meesten krijgen nog steeds psychologische bijstand.

Omwille van de privacy zijn de achternamen van de bewaarders weggelaten.

mailIcon print |