Een woord als ’belazerd’ wil Jan Peter Balkenende niet gebruiken. Maar twijfels over de motieven van D66 heeft de sinds gisteren demissionaire premier wel.
„Ik heb het niet zo plezierige gevoel dat er geen zakelijke discussie is gevoerd. D66 had op basis van de feiten een andere conclusie kunnen trekken”, zei Balkenende gisteren op zijn wekelijkse persconferentie.
Na afloop van een uiterst korte ministerraadsvergadering en een gesprek met koningin Beatrix over de politieke situatie blikte Balkenende terug op het bizarre marathondebat met de Tweede Kamer over de nationaliteit van ex-VVD-kamerlid Hirsi Ali, dat uiteindelijk resulteerde in de val van zijn tweede kabinet.
Volgens de premier draagt D66, en dan ook alleen D66, daarvan de schuld. In de analyse van Balkenende ontbrak het bij de democraten simpelweg aan de politieke wil om het kabinet nog langer te steunen.
Hij kan zich moeilijk voorstellen dat het de partij echt alleen maar om het functioneren van Verdonk ging. Immers: „Als D66 echt een probleem had gehad met Verdonk, dan was 16 mei (de dag van het eerste kamerdebat over het Nederlanderschap van Hirsi Ali, red.) een beter moment geweest.”
Balkenende had zich ook verbaasd over het optreden van vice-premier Brinkhorst. Die zei in de Kamer ter toelichting op het aftreden van de D66-ministers dat deze ’niet langer verantwoordelijkheid’ konden dragen voor het beleid van Verdonk.
„Ik vond het jammer dat vice-premier Brinkhorst in zijn verklaring sprak over de positie van minister Verdonk”, aldus Balkenende over het optreden van Brinkhorst. „Want in het kabinet hadden we iets anders afgesproken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.