Na de val van de Taliban is hun mentaliteit eigenlijk nooit echt verdwenen in Afghanistan, zag Rangina Hamidi toen ze terugkeerde naar Kandahar. Voor de hulporganisatie ACS roeit ze tegen de stroom in.
„Denken is nog altijd het domein van mannen in Afghanistan, vrouwen hebben zelfs in hun eigen huis maar weinig te zeggen. We proberen een mentaliteitsverandering op gang te brengen, en ik voel dat ik daar mijn bijdrage aan moet leveren.”
De Afghaanse Rangina Hamidi is Amerika opgegroeid, maar haar hart ligt nog steeds in Afghanistan, vertelt ze tijdens een kort bezoek aan Nederland. „Tijdens mijn studie in de VS wilde ik al naar Afghanistan om te werken met en voor vrouwen, dat leek me vanzelfsprekend. Maar onder de Taliban was daar geen sprake van”, zegt Hamidi.
Na de val van het radicaalislamitische regime eind 2001 besloot Hamidi begin 2003 terug te gaan naar het Zuid-Afghaanse Kandahar, de stad waar ze 29 jaar geleden werd geboren. Drie jaar oud was ze toen haar familie voor het oprukkende sovjetleger naar Pakistan vluchtte. Zeven jaar later reisden ze door naar de Verenigde Staten.
Hamidi is nu veldcoördinator voor Afghans for Civil Society (ACS), een niet-gouvernementele organisatie die actief is in het voormalige Talibanbolwerk, en onder meer gesteund wordt door het Nederlandse Cordaid. ACS is in 1998 opgericht door Abdul Qayum Karzai, de oudste broer van de huidige Afghaanse president Hamid Karzai.
Waar veel hulporganisaties zich vooral bezighouden met medische hulp of bouwprojecten, besloot ACS het anders aan te pakken. „Het Taliban-regime heeft fysiek weliswaar het land verlaten, maar hun mentaliteit is gebleven”, vertelt Hamidi. „Bouwprojecten en dergelijke zijn heel belangrijk, maar wij willen juist verandering brengen in de ideeën van mensen, en hun dromen, hoop en ambities tot leven brengen. We proberen voorzichtig deuren te openen zodat mensen zich meer durven uit te spreken. Zeker voor vrouwen is dat nu vrijwel onmogelijk.”
Die mentaliteitsverandering probeert ACS te realiseren via verschillende projecten, zoals een radiostation en een project gericht op het genereren van een eigen inkomen door vrouwen.
Rangina Hamidi wijst op de rand van haar vuurrode omslagdoek die versierd is met kunstig borduurwerk. „Dit is gemaakt door de vrouwen die nu meedoen, zo’n 520 en vrijwel allemaal analfabeet. Toen we begonnen waren het er maar twintig. Dit borduurwerk kunnen alle vrouwen goed omdat ze dat al jong leren. Wij kopen die sjaals van hen en verkopen ze door. We hebben bijvoorbeeld net een order gekregen uit New York.” Uiteindelijk is de bedoeling dat de sjaalproductie op eigen benen kan staan.
„Door deze vrouwen aan een eigen inkomen te helpen voor hun gezin geef je ze een stem”, zegt Hamidi. „Tegelijkertijd vertellen we hen over onze ideeën, in de hoop dat die zich via de familie, buren en vrienden verspreiden over de buurten, steden en uiteindelijk het land. We hebben niet de illusie dat dat snel zal gaan, je hebt het dan al gauw over generaties.”
De toenemende onveiligheid in het zuiden van Afghanistan, baart ook Hamidi veel zorgen. „Toen ik in 2002 kwam voelde ik geen angst, maar nu meer en meer. Er is voortdurend het gevoel van: zal ik de volgende zijn? Maar ik heb wel het idee dat ik niets gedaan of gezegd heb waarmee ik vijanden gemaakt zou kunnen hebben.”
Ze geeft toe ook momenten te hebben dat ze het even niet meer ziet zitten. „Er zijn zoveel problemen, onveiligheid, armoede, de enorme corruptie waar iedereen aan meedoet. Soms weet je niet meer wie je nog kunt vertrouwen. Maar dan slaap ik er een nacht over en dan denk ik: als ik het niet doe, wie dan wel? Door mijn afkomst, opleiding en de beheersing van de taal ben ik in de positie om dit werk te doen. We zijn allemaal mensen en we moeten elkaar helpen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.