Vlak voor de start van de 93ste Ronde van Frankrijk in Straatsburg beleeft de wielersport zijn sportieve faillissement. Doping blijkt onuitroeibaar, uitslagen kunnen de prullenbak in.
De trieste aftocht van de beoogde helden van de komende drie weken markeerde gisteren in de Elzas het einde van een tijdperk. De laatste illusies over een sport die meer dan een eeuw zijn aantrekkingskracht ontleende aan heroïsche strijd tussen mensen van vlees en bloed, verdwenen met de realiteit onder ogen. De Duitser Jan Ullrich, de Italiaan Ivan Basso en de Spanjaard Francesco Mancebo – drie kandidaten voor het podium van de Tour – mogen niet in de Tour de France starten vanwege hun betrokkenheid bij het dopingnetwerk dat in Spanje is opgerold. Hun schuld moet nog bewezen worden, maar omwille van het imago van de Tour zijn ze verbannen.
De affaire heeft de wielersport opnieuw in een diepe crisis gestort, fundamenteler dan die van 1998, toen de Franse justitie gestructureerde doping bij een deel van het peloton aantoonde. De Tour Dopage leek enige tijd een zuiverende werking te hebben gehad. Er kwamen meer controles, het wereldantidopingagentschap Wada werd opgericht en de strijd in het peloton leek minder oneerlijk dan in de duistere eerste helft van de jaren negentig. Acht jaar later blijkt dat alle inspanningen van overheden, instanties en zelfs ploegleiders en fatsoenlijke doktoren niets hebben opgelost. Hoe meer pogingen de wielersport op te schonen, hoe ongeloofwaardiger ze wordt.
Als Ullrich en Basso inderdaad doping hebben gebruikt, dan is de boodschap die uit hun erelijst en bankrekening spreekt duidelijk. Doping loont. Het zijn succesvolle wielrenners. Wat zijn hun uitslagen, en die van vele anderen, nog waard? Ze werden de afgelopen jaren in de Tour verslagen door Lance Armstrong, die officieel de dans ontsprong, maar sinds vorig jaar ook zwaar verdacht is.
Ullrich en Basso lieten zich door de voormalige gynaecoloog Eufemiano Fuentes en zijn handlanger José Merino Batres medisch begeleiden. Het duo runde een kliniek in Madrid. Aan de hand van telefoontaps, beelden van geheime camera’s en documenten die bij een inval eind mei in beslag zijn genomen, blijkt dat een groot aantal wielrenners tot hun klantenkring behoort of behoorde. Het netwerk liep dwars door het peloton heen. Overigens zouden onder de in totaal 158 klanten van Fuentes ook beroemde voetballers, tennissers en atleten zijn. De aloude reflex in de wielersport was ook gisteren in Straatsburg te horen, bij belanghebbenden in de sport: waarom wordt altijd de aandacht op wielrennen gericht? Het verwijt klinkt hol uit een wereld die zelf verrot is.
Stimulerende middelen worden in de wielersport gebruikt vanaf het ontstaan in het midden van de 19de eeuw. Wielrennen is een bedenksel van de commercie. Kranten en bladen gingen koersen organiseren om hun oplage te verhogen, fietsfabrikanten hadden publiciteit nodig. Aan fietsen werd veel geld verdiend. In de jaren dertig overwoog Tourdirecteur Henri Desgranges zelfs om de benodigde stimulantia te vergoeden. Renners kwamen tot in de jaren zestig openlijk uit voor het gebruik van preparaten met onder meer amfetamine, cocaïne, alcohol en cafeïne.
De dood van de Brit Tom Simpson werd in de Tour van 1967 was een keerpunt. Hij bezweek op de Mont Ventoux aan een combinatie van uitputting, hitte en doping. Er kwamen controles, waar het Tourpeloton in 1968 nog fel tegen protesteerde. Met de urinecontroles verdween de dope naar de illegaliteit en anonimiteit. Iedereen wist dat het bestond, niemand sprak of schreef erover. Bij een positieve dopingtest volgde standaard een ontkenning. Joop Zoetemelk wist van niets, net als Gert-Jan Theunisse. Er volgden een paar maanden schorsing en daarmee was de kous af.
De Franse justitie opende de ogen in 1998. Bloeddoping bleek gemeengoed in het peloton. De zaak schokte de sport. Justitie in Italië en België volgden het voorbeeld van Frankrijk en bij huiszoekingen of razzia’s tijdens wedstrijden werden verboden middelen aangetroffen. Renners komen via alternatieve kanalen, zelfs via veeartsen, aan preparaten die hen harder laten fietsen. Een fractie valt bij controles door de mand. Die blijken meer en meer een wassen neus, ondanks de miljoenen die erin omgaan, ondanks het politieke belang dat er aan wordt gehecht. De repressie heeft vooral tot gevolg gehad dat er nooit een open en zinnig debat is ontstaan over wat zinnige medische begeleiding is van sporters die drie weken hard moeten fietsen.
De laatste vijftien jaar, sinds de intrede van het kunstmatige erythropoetine (epo) rond 1990, is de medische begeleiding van renners zo geavanceerd dat de jagers altijd achter de stropers aanhollen. Wielrennen heeft in dezelfde periode commercieel een hoge vlucht genomen. Een relatief kleine sport is een mondiale miljoenenindustrie geworden, waarin hoge salarissen te verdienen zijn. Telkens opnieuw bezwijken renners – zo blijkt nu weer in Spanje – massaal voor de verleiding om een lucratieve hoofdrol op te eisen in deze bedrieglijke mooie amusementsfabriek.
Praktisch elke partij in de wielersport heeft er belang bij de façade van een fascinerende en eerlijke strijd in stand te houden. De internationale wielerunie UCI heeft het probleem jaren gebagatelliseerd en positieve gevallen onder het tapijt gemoffeld. Het gebeurde bijvoorbeeld bij wereldkampioen Laurent Brochard (Festina) in 1997. Het imago van de sport moest op die manier overeind blijven. Ploegleiders keken lang de andere kant op, doping was een privé-zaak van de renners.
De (oud-)coureurs die uit de school klapten, werden door het wereldje meteen tot persona non grata verklaard. Hun verhalen over het massale slikken en prikken werden afgedaan als stuiptrekkingen van zielige figuren met frustraties. De omerta moest in stand worden gehouden. Ontkennen en ronduit liegen is zo hardnekkig tot de cultuur gaan behoren dat wielrenners en dubieuze begeleiders in hun eigen fabeltjes lijken te geloven. Tyler Hamilton, die in 2003 op aanraden van dokter Fuentes een halve ziekenhuisapotheek in zijn lichaam injecteerde, houdt tot de dag van vandaag vol dat hij onschuldig is.
Het liegen ging gisteren gewoon door. Bjarne Riis, manager van de CSC-ploeg van Ivan Basso, staat als een controlfreak bekend, was de persoonlijke trainer van de Italiaan, maar houdt vol dat hij niets wist van diens contacten met Fuentes. Ondertussen haalden de ploegen die geen renners hebben op de beruchte lijst van 58 namen opgelucht adem, al zullen hun sponsors de balans opmaken van hun investeringen in zo’n omstreden sport. De verdachte renners zijn geweerd, de stal is schoongeveegd, nu gaat de Tour over tot de orde van de dag. Alsof dat zomaar kan. Met de ontmaskering van één Spaans netwerk is het probleem niet opgelost. De enige zekerheid lijkt dat de winnaar van deze Tour tenminste geen klant was bij Fuentes. John Graat
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.