*

 

Moet zout nou per se klonteren?

Joep Engels − 03/07/06, 00:00

Voor een collega hier ter redactie is de zomer een zouteloos seizoen. In de wintermaanden stookt hij zijn huis nog wel droog, maar ’s zomers is het er zo vochtig dat het zout als één klont in het vaatje achterblijft.

Dat is gebeurd voor je er weet van hebt. Zout is hydrofiel, waterminnend. En niet zo’n beetje ook. Neem maar een schoteltje water, hang daar een zoutkristal boven en sluit het geheel af onder een stolp. Binnen een halfuur hangt er een dikke druppel water aan het kristal.

Nu is het onder zo’n stolp vochtig, maar boven een dampend bord of in een vochtig huis gaat het ook snel: water slaat graag neer op zout. Het zout lost erin op en er ontstaat een dun filmpje pekel. Wordt het dan weer wat droger, verdampt het water weer en kristalliseert het opgeloste zout. Het opgedroogde filmpje wordt een cementlaag die de kristallen aan elkaar vastplakt.

Om dit geklonter tegen te gaan kun je rijstkorrels toevoegen aan het zout. Rijst houdt nog meer van water dan zout. De chemie heeft de vorige eeuw ’rijstvervangers’ ontwikkeld, zoals siliciumoxide dat uit zand wordt verkregen en hetzelfde doet als rijst: water binden. Er zijn ook antiklontermiddelen zoals geel bloedloogzout die de pekel zo dwarszitten dat het geen bruggen kan slaan tussen de zoutkristallen.

Indiase wetenschappers pakken het probleem anders aan. In het julinummer van Crystal Growth & Design beschrijven ze hoe ze bolvormige kristallen hebben gemaakt: die laten zich moeilijk aaneen metselen, én ze rollen beter uit de strooibus.

Zoutkristallen zijn kubusjes, zegt het scheikunde-handboek. Zout bestaat uit natrium- en chloorionen en die zijn netjes in drie, loodrecht op elkaar staande richtingen gerangschikt. Tenminste, als je zoutkristallen maakt vanuit een zuivere oplossing in water. Verontreinigingen verstoren de ideale kristalvorming.

Dat wist Jean Baptiste Romé de l’Isle al, de man die in 1783 het eerste moderne boek over kristallografie schreef. Jean had in zijn pekelpotje gepiest en toen werden zijn zoutkristallen geen blokjes, maar achtvlakken. Als twee op elkaar geplakte piramides. Sindsdien zijn meer toevoegingen ontdekt die de kristallen een aparte vorm geven.

Eén daarvan is glycine. Zit dit aminozuur in de zoutoplossing, dan is het net of kleine kaboutertjes de ribben van de kubus afvijlen. Hoe meer glycine je erbij giet, des te fanatieker vijlen de kabouters. Totdat alleen nog maar de twaalf afgevijlde ribben over zijn: het kubusvormige zoutkristal is een dodecaëder geworden, een regelmatig twaalfvlak.

Dat was al heel lang bekend maar de Indiase wetenschappers zijn er nu in geslaagd op grote schaal twaalfvlakjes te maken. En dat ook nog onder eenvoudige omstandigheden: in een zoutbekken dat door de zon wordt verwarmd.

Het is nog de vraag of de Indiërs echte twaalfvlakken hebben gemaakt, of slechts achtvlakken aan kubussen hebben geplakt. Hoe dan ook, dit zout strooit vast beter. Ook al zijn de korrels niet geheel rond.

mailIcon print |