*

 

Sterke groei ondanks falende overheden

door Gijs Moes − 14/11/06, 00:00

De economie van Azerbeidzjan groeit met zo’n 25 procent per jaar. Dat klinkt fantastisch, maar dergelijke cijfers zijn niet alleen een zegen, aldus de Oost-Europabank EBRD.

De olie spuit de grond uit in de voormalige Sovjetrepubliek, en dankzij een nieuwe pijpleiding naar Turkije stromen de euro’s en dollars binnen. Vorig jaar, dit jaar en naar verwachting volgend jaar, groeit de economie met 25 procent, zo blijkt uit het jaarlijkse rapport van de EBRD. Dat komt neer op een verdubbeling in drie jaar.

Maar het is de vraag of brede lagen van de bevolking veel opschieten met deze fantastische groeicijfers, zegt chef-econoom Erik Berglöf van de EBRD. Ten eerste stroomt het geld vooral binnen bij enkele individuen en bedrijven die hun rijkdom naar een Zwitserse bankrekening kunnen wegsluizen. En als het de Azerische overheid al lukt om de nieuwe rijken te belasten, is het nog maar de vraag of het geld goed gebruikt wordt.

„In zulke gevallen hebben overheden de neiging om enorm veel aan infrastructuur uit te gaan geven en dat zorgt voor een grote kans op corruptie”, zegt Berglöf. „Bovendien kan de toestroom van geld in de olie-industrie leiden tot hogere lonen in andere sectoren; dat leidt tot hogere prijzen en zo wordt de inflatie opgedreven.”

Hongarije is het andere uiterste onder de economieën van de voormalige communistische landen in Midden- en Oost-Europa. Door zwak economisch beleid en sterk oplopende overheidsschulden, bedraagt de groei in Hongarije dit jaar 3,5 procent. Vanuit West-Europees perspectief niet slecht, maar in de regio bedroevend laag.

„Toch ben ik optimistisch over Hongarije”, zegt Berglöf. „De onderliggende groei is sterk. Het opmerkelijke is dat de economie doorgaat, ondanks de zorgen over het fiscale beleid.” Berglöf wil het niet zo zeggen, maar in feite groeit de Hongaarse economie ondanks de overheid. Hetzelfde geldt voor Polen en Slowakije, die ook kampen met politieke onrust. „Een wat meer voorspelbaar beleid zou zeker helpen”, aldus Berglöf.

Toch zien veel bedrijven kansen in de regio, en dus stromen de investeringen binnen. De instroom van geld maakt het mogelijk dat de economieën blijven groeien, terwijl de overheid ieder jaar geld tekortkomt. Die combinatie brengt wel een risico met zich mee: als de buitenlanders op een dag besluiten dat Oost-Europa te risicovol is, kan het kaartenhuis instorten. Net zoals dat acht jaar geleden gebeurde, tijdens de Azië-crisis.

Berglöf onderkent dit risico, maar relativeert het ook. „Midden- en Oost-Europa zijn veel minder kwetsbaar dan Azië destijds. De basis is veel gezonder, de wetten en financiële systemen zijn veel beter. Maar ook hier zijn zwakke overheden de grootste zorg.”

De EBRD beklemtoont dat de Midden- en Oost-Europese regeringen hun economieën verder moeten hervormen, om de groei vast te houden. Maar in veel landen constateert de bank ’hervormingsmoeheid’, die ertoe leidt dat de politiek het wat rustiger aandoet. Berglöf vestigt zijn hoop op een nieuwe generatie politici, die is opgegroeid in een vrije-markteconomie. „Zij hebben meer belang bij verdere hervormingen.”

Opvallend is dat de EBRD waarschuwt voor het weglekken van onderzoek en ontwikkeling uit Oost-Europa. „We zijn bezorgd dat er in de regio alleen filialen overblijven, die elders ontwikkelde producten verkopen.” Het probleem is dat er veel te weinig geld wordt gestoken in hoger onderwijs en onderzoek. „De budgetten zijn gedaald, terwijl die in China verdubbelen.”

mailIcon print |