*

 

Het strijdschrift van Pieter W. van der Horst van Doorn

J.A.A. van Doorn − 01/07/06, 00:00

Tot mijn spijt moet ik nogmaals aandacht vragen voor de affaire-Van der Horst. In de woensdageditie van deze krant stelde hij dat ik mij vorige week heb ’vergaloppeerd’ door hem te beschuldigen de publiciteit te hebben gezocht en door te beweren dat hij met zijn beoefening van de judüistiek vooral de politiek van Israël wil verdedigen.

Het eerste punt draait om de betekenis van ’de publiciteit zoeken’. Mijn opponent begrijpt dit in letterlijke zin, terwijl ik van mening ben dat een hoogleraar die een conflict met zijn rector niet binnenskamers afhandelt maar in forse bewoordingen naar buiten brengt, ’de publiciteit zoekt’. Ook al gebeurt dat op uitnodiging van de media.

Het tweede punt is van meer gewicht. Van der Horst meent dat ik op basis van zijn rede generaliseer omdat ik zijn andere publicaties niet ken. Deze ’pure onkunde’ leidt ertoe dat ik hem ten onrechte beschuldigde toen ik in mijn column stelde dat hij ’met zijn afscheidscollege aantoont zijn joodse studies overwegend te beschouwen als een verdediging van jodendom en Israël’.

Akkoord, het woord ’overwegend’ is dubieus omdat het op kwantiteit kan duiden. Het zal zeker waar zijn dat Van der Horst talloze publicaties over andere onderwerpen op zijn naam heeft staan, al valt het mij op dat het onderwerp van zijn rede hem al jarenlang bezighoudt, zoals blijkt uit de verwijzing naar geschriften van zijn hand in noten 9, 10 en 15.

Mijn stelling was gebaseerd op strekking en toon van het afscheidscollege. Het lijkt mij volstrekt onmogelijk dat iemand die een dergelijke tekst produceert, ooit de andere kant van de medaille serieus heeft bekeken. De rede is namelijk geen bezonnen analyse maar een uiterst emotionele filippica tegen alles en iedereen die van joden of van Israël iets onaangenaams zou willen zeggen. Het is geen wetenschap die naar verklaringen zoekt, maar een apologie die geen tegenspraak duldt.

Vandaar de uitstekende ontvangst in bepaalde kringen: in Nieuw Israelietisch Weekblad, in het katern Letter & Geest van deze krant, bij Joodse lezers en vooral bij het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi) dat aan de zaak een openbaar spoeddebat wijdde en de rede in zijn informatiereeks zal publiceren. Daar hoort zij inderdaad thuis.

Het meest opvallend is de bijna overspannen toon die wordt aangeslagen. Iemand ’antisemiet’ noemen, is niet genoeg; het is een ’aartsantisemiet’. Een jodenhater is een ’extreme jodenhater’. De beruchte grootmoefti van Jeruzalem, vast nummer in elk overzicht van de wording van de staat Israël, heet bij Van der Horst een ’islamofascist’ en ’nazistische oorlogsmisdadiger’. En zo tettert het maar door: ongelofelijk, ongehoord, onvoorstelbaar, de ergste soort, huiveringwekkend, verbijsterend, hysterisch – ik heb zelden een wetenschappelijk bedoelde voordracht gelezen die zo bol staat van opgewonden verontwaardiging.

De feiten doen er minder toe. Zo vermeldt Van der Horst dat in tal van Palestijnse leerboeken kinderen ’jaar in jaar uit’ leren dat de vernietiging van het Joodse volk een heilige plicht is. De correspondent van NRC Handelsblad in Ramallah, Oscar Garschagen, kon dit meteen met een vloed aan bewijsmateriaal weerleggen. Zo ga je de fout in als je waarde hecht aan een publicatie van Christenen voor Israël, ongeveer de laatste bron die je met betrekking tot het conflict in het Midden-Oosten kunt vertrouwen.

Waar de feiten wel kloppen, bieden ze vaak weinig nieuws. De zwaar gedocumenteerde bespreking van de twee ’aartsantisemieten’ uit vroege tijden, Manetho en Apion, voegt weinig toe aan wat bekend was. Zelfs in een beknopt overzichtswerk als dat van Arthur Herzberg en Aron Hirt-Manheimer, Joden: Identiteit en karakter van een volk (1998), worden ze kort en helder besproken, mét hun historische nawerking.

Het hinderlijkst blijft echter de volstrekte eenzijdigheid in het relaas. Zo beweert Van der Horst, zonder documentatie overigens, dat Hitler bij afkondiging van de Neurenberger rassenwetten uit de hele Arabisch-islamitische wereld gelukwensen ontving. Interessanter is de keerzijde: de tevredenheid van zionistische leiders in Palestina, die al in 1933 contact met nazi-Duitsland zochten en de Ha’avara-overeenkomst tekenden die het mogelijk maakte Duitse Joden naar Palestina over te brengen. Men zag in die kring de nazi-politiek als veelbelovend: een Joodse exodus uit Duitsland kon het zionistische project de wind in de zeilen geven. Nog in de jaren 1937-1939 waren er overlegcontacten tussen zionistische functionarissen en niemand minder dan Adolf Eichmann, met het doel hun gemeenschappelijke belangen te bespreken. Een bron uit meerdere: Tom Segev, The seventh million (1993).

En als Van der Horst het ’ongehoord’ vindt dat Israëliërs ’de nieuwe nazi’s worden genoemd, is hij niet ten onrechte boos. Toch zou hij eens kennis moeten nemen van de uitputtend gedocumenteerde studie van de Israëlische kenner van fascisme en nationaal-socialisme, Zeev Sternhell, The founding myths of Israel (1998) met de intrigerende ondertitel: ’Nationalism, socialism and the making of the Jewish state’. Het is een van die boeken die in Nederland niet besproken plegen te worden omdat ze haaks staan op de officiële beeldvorming over Israël. Maar voor een mythenjager als Pieter W. van der Horst moet het opwindende lectuur zijn.

mailIcon print |