Nee, het PvdA-kamerlid Piet de Visser had geen hoge pet op van de drukker die halverwege de jaren tachtig door het ministerie van buitenlandse zaken was uitgekozen om een nieuw paspoort te maken. ,,Het is geen oude adel’’, zei hij tegenover de parlementaire enquêtecommissie-Hermans, die het debacle van het paspoortproject onderzocht. Het was fijnzinnige ironie, waarin De Visser zijn verontwaardiging verpakte over de domheid van het ministerie bij het vergeven van de order aan de oude adel van de drukwereld, belichaamd in de firma Enschedé te Haarlem, voorbij te gaan.
Voor het kamerlid was dit, vertelde hij later, een wezenlijk punt. Als hoeder van de gemeenschap behoorde de overheid pal te staan voor de zorgvuldigheid, de toewijding en het vakmanschap waarmee dit bedrijf al decennialang ons geld drukte. Het raakte hem in de politieke ziel dat het ministerie, het deftige ministerie van BZ nog wel, in zee was gegaan met het ’kleine drukkertje’ Willem Baart uit Schiedam, die veel geschreeuw maar weinig wol produceerde en zich tijdens de enquête niet geneerde zijn bordeauxrode Mercedes pal voor de ingang van de Kamer te parkeren.
In het licht van de waardevolle noties van De Visser over een integere overheid, klonk het weinig geruststellend dat CDA-fractieleider Verhagen het finale kamerdebat over het paspoort van Ayaan Hirsi Ali inzette met de woorden ’eind goed, al goed’. Daarmee gaf hij aan dat voor hem uiteindelijk alleen het resultaat telde en dat hij de ongerechtigheden in de kwestie met één grote bezemstreek onder het tapijt wilde vegen. Van de partij van het fatsoen en de betrouwbare overheid had iets meer mogen worden verwacht dan louter haast om over te gaan tot de orde van de dag.
Juist in deze zaak heeft de overheid zich in de figuur van de liberale minister Verdonk van haar slechtste kant laten zien: onzorgvuldig, bureaucratisch, bot, gespeend van sociaal gevoel, omgeven bovendien door de geur van persoonlijk politiek gewin. Het resultaat mocht uiteindelijk goed zijn, in de zin dat Hirsi Ali haar naam en paspoort behoudt, het beklemtoonde tegelijk hoe beroerd er van overheidskant is gehandeld, tot schade van de natie, de politiek en een individuele burger. Misschien was het geen toeval dat twee vrouwelijke kamerleden, Halsema en Van der Laan, zich in het kleed van Antigone hulden om te herinneren aan de waarden die onze samenleving tot een fatsoenlijke en menswaardige maken.
Maar in de strijd tussen principes en de macht was, zoals zo vaak in de grote politieke partijen, de zuiging van de macht het sterkste. Zelfs nadat D66-fractievoorzitter Van der Laan met het opzeggen van het vertrouwen in het kabinet had duidelijk gemaakt dat de kwestie-Hirsi Ali voor haar een casus belli is, een halszaak, bleef de top van het CDA voor deze politieke werkelijkheid de ogen sluiten. Zich beroepend op een wel zeer elastische interpretatie van het staatsrecht, suggereerde Verhagen dat het kabinet minus de D66-ministers gewoon kon doorregeren, zolang de Kamer het niet naar huis stuurde. Hierbij hengelde hij zonder gêne naar de gedoogsteun van de LPF.
Ook premier Balkenende zat aanvankelijk op deze lijn, toen hij donderdagmiddag in de Kamer verklaarde dat het kabinet geen consequenties zou verbinden aan de verworpen motie van afkeuring tegen minister Verdonk. Met geen woord repte hij over de steun van D66 aan deze motie, daarmee aangevend dat hij aan deze stap van de coalitiepartner klaarblijkelijk geen politieke betekenis hechtte.
De CDA-top gedroeg zich aldus als premier Biesheuvel, die in 1972 na de breuk met de kleinste coalitiepartner DS’70 met het rompkabinet wilde doorregeren alsof er niks was gebeurd. ’Koning Barend’, smaalden zijn tegenstanders, omdat de anti-revolutionair meende zonder tussenkomst van het staatshoofd zijn weg te kunnen vervolgen. Het is aannemelijk dat vooral minister van justitie Donner, het staatkundig brein in het CDA, zijn partijgenoten in de loop van de dag uit de droom heeft geholpen, zowel staatsrechtelijk als politiek.
In de jaren zestig kwam het nog voor dat op basis van één verkiezingsuitslag drie kabinetten werden gevormd. Onder invloed van de democratiseringsgolf is met die regenteske vorm van landsbestuur afgerekend en is het, Biesheuvels tegenstribbelen ten spijt, gebruik geworden na een breuk in de coalitie de kiezers te raadplegen. Het is een teken aan de wand dat de CDA-top aanvankelijk poogde deze consequentie te omzeilen. Dat duidt erop dat zij onvoldoende de betekenis van de zaak-Hirsi Ali onderkende als exemplarisch voor de verstoorde relatie tussen de overheid en de burger.
In dat licht is het zelfs dubbel kwalijk dat de christen-democraten, gemene zaak makend met de brokkenpiloten van de LPF, gewoon wilden doorgaan.
In de afgelopen jaren hebben de burgers bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven dat zij een dienstbare en doorzichtige overheid willen. Het amorfe en bureaucratische aanzien dat het apparaat heeft aangenomen, boezemt schrik en wantrouwen in, en roept bij het onvermogen eenvoudige dingen te regelen (zoals de vervaardiging van een deugdelijk paspoort) diepe weerstanden op. Niet de oude adel regeert, maar een beleidsratio die afstand creëert en vervreemding wekt.
Het lijkt wel alsof de kunst verloren is gegaan kwesties als de zaak-Hirsi Ali en het geval van het Kosovaarse meisje Taïda Pasic, met praktische wijsheid, een beetje nuchterheid en naar de menselijke maat te benaderen. Dat zou juist het CDA, dat beweert zoveel vertrouwen in mensen te hebben en niet alle heil van de overheid verwacht, moeten aanspreken. De partij had vanwege de zaak-Hirsi Ali een grens kunnen trekken, maar Balkenende en Verhagen kozen voor Verdonk en daarmee voor machtsbehoud. Meer dan als oude adel gedroegen ze zich, naar een andere geliefkoosde uitdrukking van Piet de Visser, als politieke roofridders.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.