*

 

Ik werd een vrouw en het kan me geen bal schelen.

Joost − 11/10/06, 00:00

Mijn vaderschap begon in Freiburg, Duitsland. Niet dat mijn dochter Anna daar geboren is, dat niet. Maar de vadergevoelens ontstonden daar, in die mooie studentenstad aan de rand van het Zwarte Woud. Ik was nog helemaal niet zo lang met mijn vriendin, maar wel lang genoeg om haar vrienden eens op te zoeken. En Freiburg is dan meteen een mooi uitje.

Ik kan de ontkieming van mijn vaderschap nog zo voor de geest halen. De deur van het Duitse appartement zwaaide open en twee grote bruine ogen keken me aan. Papa zei ze tegen me en dat was best een beetje zielig. Haar vader woonde niet meer bij haar en sindsdien noemde ze iedere man die bij mama op bezoek kwam papa. Ik liet het maar zo, met als gevolg dat ik mij dat weekend ook steeds meer als een papa ging gedragen. Wagentje duwen, eendjes voeren, Turm bauen, troosten. En dat voor iemand als ik, die kinderen altijd wel aardig vond, maar nooit het idee had: die moet ik ook hebben.

Tot aan Freiburg dus.

Er ging heel wat aan Anna vooraf. Minstens negen maanden, maar vooral een vloedgolf aan gedachten. Over het vaderschap en hoe dat in het echt zou zijn. Want het blijft niet bij wagentje duwen en eendjes voeren, dat wist ik ook wel. Maar wat moet je doen? Boeken lezen? We kregen er veel, maar daar moet je wel zin in hebben. En tijd. Bovendien: boeken lezen over geboortes en kinderen, dat is vrouwenwerk.

Nee, een echte man, een aanstaande vader, die kijkt naar het opvoeden in de praktijk. Die normen en waarden, dat zou ik wel even regelen.

Ik begon mij vaker dan gewoonlijk in de publieke ruimte te begeven. Supermarkten, treincoupés, verjaardagen; overal waar ouders en kinderen waren te verwachten, daar was ik ook. En maar observeren. Kijken hoe het moest en een beetje schamper doen over hoe het níet moest. „Ik spreek jou nog wel”, zei mijn vrouw dan, als ik weer eens thuiskwam met een getuigenverklaring van een schandálige opvoeding.

Naar de kroeg gaan deed ik al niet zo veel meer, maar áls ik ging dan zocht ik zoveel mogelijk vaders op, of collega-aanstaande vaders. Toch eens even peilen wat de stemming daar was. Een van die jongens, een stoere ex-marinier, vertelde mij dat hij het leuk vond om vader te worden. Maar hij zei ook: „Ik weet niet wat jij doet, maar zo’n partneravond bij zwangerschapsyoga, daar zul je mij niet zien.”

„Mij ook niet”, zei ik ferm en welgemeend, maar een week later zat ik toch mooi op zo’n matje. Watje.

Toen Anna er eenmaal was, werd het nog erger, dat niet-manlijke gedrag. Ik bedoel: als je zit te grienen bij een liedje van Herman van Veen ( ’Anne’ ) dan is er wel iets ernstigs aan de hand. Eigenlijk komt het prille vaderschap erop neer dat je tijdelijk in een vrouw veranderd, zei laatst nog een andere vader tegen mij. Met zo’n draagzak de stad in, tutten met kleertjes. „Heeft ze het niet te koud zo?”. „Aaaah, moet je zien hoe ze nou kijkt.”

Het ergste is, concludeerden we samen, dat het je nog geen bal kan schelen ook.

Een watje worden, veranderen in een vrouw; het lijkt erop dat je een volstrekt ander mens wordt als je een kind krijgt. Maar zo abrupt ging dat niet. Je ziet het met het dikker worden van die buik al zo van verre aankomen, dat je leven al veranderd is als het grote moment zich aandient. Je bent als het ware al in de week gezet. Wat trouwens iets anders is dan er klaar voor zijn. Want klaar zijn om een vrouw te worden, dat ben je nooit.

Joost van Velzen is televisie-columnist van Trouw, is getrouwd met Sophie en heeft een dochtertje van acht maanden, Anna.

mailIcon print |