*

 

het egoïsme van Ibsen

Theodore Dalrymple − 11/02/06, 00:00

De toneelstukken van Henrik Ibsen worden 100 jaar na zijn dood nog steeds als uiterst modern ervaren. Volgens de Engelse psychiater Theodore Dalrymple komt dat doordat ze al het menselijk ongeluk toeschrijven aan het niet doen waar je zelf zin in hebt. 'Ibsen verkondigde een universeel egoïsme.'

Een gezin, schreef dr. Johnson, is een klein koninkrijk, verscheurd door partijtwisten en revoluties. Dit is natuurlijk geen klinkende aanbeveling van het gezinsleven en de grote Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen, wiens kindertijd even ongelukkig is geweest als die van Johnson, zou het met hem eens zijn geweest. Maar anders dan Ibsen, besefte Johnson dat je, om een instituut juist te beoordelen, het moet vergelijken met de alternatieven. Het huwelijk kent vele smarten, zegt Johnson, maar het celibaat kent geen genoegens.

Johnson zag het menselijk bestaan als onafscheidelijk verbonden met teleurstellingen. Het ligt in de aard van de mens om te lijden onder onverenigbare verlangens, om bijvoorbeeld zowel veiligheid als opwinding te willen. Wanneer hij het ene bezit, verlangt hij naar het andere, zodat tevredenheid zelden puur is en nooit duurzaam.

Toch vinden de meeste mensen het prettiger om te geloven in volmaaktheid dan in onvolmaaktheid. De notie van onvolmaaktheid wakkert niet alleen existentiële angsten aan, maar stelt ook - door simpele oplossingen voor alle menselijke problemen uit te sluiten - veel hogere intellectuele eisen aan ons dan het utopisme. Niet elk probleem kan worden opgelost met een paar eenvoudige abstracte principes die, als ze maar streng genoeg worden opgevolgd, naar de volmaaktheid zullen leiden. Daarom valt conservatisme zoveel moeilijker te reduceren tot slogans dan zijn veel abstractere concurrenten.

Het vurig verlangen naar principes die een eind zullen maken aan de menselijke teleurstellingen verklaart de onafgebroken populariteit van de drie meest gespeelde stukken van Ibsen: Een Poppenhuis (1879), Geesten (1881) en Hedda Gabler (1890). Alledrie vormen ze een woeste aanval op het huwelijk als bron van menselijk ongeluk. Hieraan dankt Ibsen zijn buitengewone moderniteit.

Ibsen heeft een verbazingwekkende prestatie geleverd door zo goed als in zijn eentje het moderne theater te scheppen. Hij was de eerste die inzag dat het gewone dagelijkse leven alle ingrediënten van de tragedie bevat. Dat hij het hele westerse drama zou transformeren en dat hij in twintig jaar tijd meer toneelstukken zou produceren dan alle Britse en Franse toneelschrijvers van zijn tijd samen, is onvoorstelbaar.

Hoewel Ibsen vaak beweerde dat hij geen enkel didactisch oogmerk had, bewijzen zijn brieven en toespraken (nog afgezien van zijn toneelstukken zelf) precies het tegendeel, namelijk dat hij bijna overliep van de morele bedoelingen. Zijn tijdgenoten twijfelden er niet aan. Bernard Shaw stelde in zijn boek Quintessence of Ibsenism (1891) dat Ibsen's werk staat en valt met de morele voorschriften die het verkondigt. Shaw dacht dat Ibsen een Joshua was, die de muren van de morele conventies omver zou blazen. Ik denk dat dit onjuist is. Ibsen was een te groot schrijver om alleen maar een moralist te zijn en je kunt aan zijn stukken nog steeds veel plezier beleven, zonder alles te slikken wat hij te melden heeft.

Toch reikte de invloed van Ibsen tot ver buiten het theater. Hij schreef evenzeer om gelezen als om opgevoerd te worden. Zijn stukken lagen vaak in grote oplagen vóór kerstmis in de winkels. En Shaw was bepaald niet de enige die inzag dat ze onconventioneel waren. Geesten bijvoorbeeld werd aanvankelijk als zo controversieel beschouwd, dat de gedrukte versie half clandestien werd verhandeld; men werd er liever niet mee gezien. Maar tegen het einde van zijn leven waren de meeste Europese intellectuelen zijn morele visie nagenoeg als vanzelfsprekend gaan zien, en iedereen die zich bleef verzetten tegen zijn leer leek in de modder van een onverlicht verleden te zijn blijven steken.

De betrekkelijk snelle aanvaarding van wat Shaw Ibsenisme noemde, betekent dat Ibsen tot uitdrukking moet hebben gebracht wat veel mensen al dachten en graag wilden horen, maar niet zelf durfden zeggen. Daarmee was hij zowel een oorzaak als een symptoom van sociale verandering en zoals veel van dergelijke figuren had hij deels gelijk en grotendeels ongelijk.

Prostitutie

Wat is de morele leer van Ibsen, zoals die blijkt uit de toneelstukken die zijn roem hebben gevestigd? Hij was even rabiaat gekant tegen het conventionele gezinsleven als Marx en Engels, maar zijn kritiek daarop was veel effectiever omdat ze niet op een filosofisch abstract niveau bleef. Hij legde de leugens en ellende van het gezinsleven bloot in meeslepende en overtuigende drama's. En hoewel het de lezer altijd vrij heeft gestaan om de morele pathologie die in deze stukken wordt getoond, uitsluitend toe te schrijven aan het specifieke karakter van de personages, was dit duidelijk niet de bedoeling van Ibsen. Hij was geen voorloper van Jerry Springer; hij wilde niet prikkelen of alleen maar het groteske laten zien. Hij wilde dat wij de morbiditeit in zijn stukken beschouwen als de onvermijdelijke consequentie van bepaalde sociale conventies en instituties. In Een Poppenhuis en Geesten nodigt hij ons uit om alternatieve levenswijzen te overwegen, om de volgens hem vermijdbare ellende die hij aan het licht brengt, te elimineren.

Het ligt voor de hand dat feministen Ibsen verheerlijken. Zijn stukken wijzen er immers herhaaldelijk op dat het huwelijk niet meer is dan een gelegaliseerde vorm van prostitutie. In Een Poppenhuis vertelt mevrouw Linde, een jeugdvriendin van Nora, dat haar huwelijk ongelukkig is geweest:

Nora: 'Hield je echt niet van je man?'

Mevrouw Linde: 'Mijn moeder was hulpbehoevend. En ik moest zorgen voor mijn twee broertjes. Ik kon moeilijk nee zeggen.'

Nora: 'Hij was toen rijk, of niet?'

In Geesten suggereert de timmerman Engstrand aan Regina, die dan nog denkt dat zij zijn dochter is, dat zij om het geld zou moeten trouwen. Per slot van rekening is hijzelf omwille van haar geld met Regina's moeder getrouwd. Haar moeder is dienstmeid geweest in het huishouden van Alving, tot luitenant Alving haar zwanger maakte. Mevrouw Alving ontsloeg haar en gaf haar wat geld mee, en vervolgens trouwde Engstrand met haar. Dominee Manders bespreekt deze kwestie met de weduwe van luitenant Alving:

Manders: 'Hoeveel heb je het meisje gegeven?'

Mevrouw Alving: 'Vijftig pond.'

Manders: 'Stel je voor! Gaan trouwen met een gevallen vrouw voor een miserabele vijftig pond!'

Dit wil zeggen dat de overeenkomst in de ogen van de eerbiedwaardige dominee redelijk was geweest als het geldbedrag groter was geweest, even groot als het bedrag waarmee mevrouw Alving zelf is 'gekocht'. In het begin van het stuk, als mevrouw Alving voorbereidingen treft voor de opening van een weeshuis dat genoemd is naar haar overleden man, legt ze dominee Manders iets uit:

Mevrouw Alving: 'Mijn jaarlijkse donaties aan dit weeshuis vormen opgeteld het bedrag waarmee luitenant Alving destijds een goede partij afsloot.'

Manders: 'Ik begrijp'

Mevrouw Alving: 'Voor dat bedrag heeft hij mij gekocht.'

Valse schaamte

Het huwelijk is dus een financiële overeenkomst die, in elk geval voor vrouwen, onvoordelig uitpakt. Maar natuurlijk zijn er ook nog andere redenen voor echtelijk ongeluk; de belangrijkste is de onherstelbare onverenigbaarheid van man en vrouw. Eigenlijk is elk ogenschijnlijk geluk een leugen die onder sociale druk in stand wordt gehouden.

In Een Poppenhuis lijkt Nora aanvankelijk gelukkig getrouwd met Torvald Helmer, een veelbelovende advocaat. Helmer behandelt haar als een klein meisje; hij berispt haar, hij verwent haar, maar nooit neemt hij haar serieus; en zij speelt mee; ze speelt haar rol van leeghoofdige jonge vrouw met bijna misselijkmakende perfectie. Helmer weet niet, dat Nora vroeger zijn leven heeft gered door met een vervalste handtekening een lening te bemachtigen, die hen in staat stelde een jaar naar Italië te gaan waar het warme klimaat hem genas van de ziekte waaraan hij anders gestorven zou zijn.

Wanneer Helmer erachter komt wat ze gedaan heeft, is hij niet dankbaar; hij ziet haar bedrog niet als een teken van haar liefde; integendeel, hij veroordeelt haar genadeloos en zegt dat zij niet geschikt is als moeder voor hun kinderen. De schellen vallen Nora van de ogen. Ze ziet in dat hun leven samen een schijnvertoning is geweest. Hij is niet de man die zij dacht dat hij was. Ze was verblind door de sociale rol die haar was toebedeeld. Ze zegt dat ze bij hem weg gaat.

Ongetwijfeld wees Ibsen op een waarachtig probleem van die tijd: het vermeende onvermogen van vrouwen om een zinvol bestaan buitenshuis te leiden. Maar als dit de belangrijkste strekking van het stuk was geweest, was het nu allang uitgewerkt. Dat punt is immers allang gemaakt. Ibsen was helemaal geen dweper met vrouwenrechten. Op een conferentie in Oslo zei hij: 'Ik weet niet eens precies wat vrouwenrechten zijn.' Ibsen geloofde niet in institutionele oplossingen voor problemen. Zijn doel was veel ambitieuzer: mensen veranderen van binnenuit, zodat zij uiteindelijk hun ware natuur tot uitdrukking kunnen brengen, zonder te worden belemmerd door de vervormende invloed van de maatschappij.

In Geesten is het huwelijk van mevrouw Alving niet alleen ongelukkig omdat ze 'gekocht' is. Haar man is een overspelige alcoholist; ze ontvlucht hem al na een jaar huwelijk en zoekt haar toevlucht bij dominee Manders. Hoewel Manders en mevrouw Alving verliefd worden, overtuigt de dominee haar ervan dat zij de religieuze plicht heeft naar haar echtgenoot terug te keren. Ondanks Alving's belofte om te veranderen, zet hij zijn losbandige levenswijze voort tot zijn dood. Mevrouw Alving houdt zijn gedrag verborgen voor de buitenwereld en voor haar zoon Oswald. Maar als Alving de meid zwanger maakt van Regina (die dus de halfzuster van Oswald is) stuurt ze Oswald weg en staat hem niet toe naar huis terug te komen zolang Alving nog leeft. Terwijl Alving zichzelf dood drinkt, maakt mevrouw Alving een succes van zijn landgoed. Dat succes wordt met haar goedvinden toegeschreven aan Alving, waardoor ze het hem vergunt te sterven in een geur van heiligheid en maatschappelijke geslaagdheid.

De leugens van mevrouw Alving's leven vloeien voort uit het valse schaamtegevoel - wat zullen anderen ervan zeggen? - dat haar ertoe brengt terug te gaan naar Alving en hem te dekken. Zo ook vertegenwoordigt Manders een vals moralisme dat uiterlijke schijn veel belangrijker vindt dan realiteit of innerlijke bedoeling en het vermijden van schaamte belangrijker dan het geweten. Deze morele code brengt Manders ertoe om zelfs in banale praktische aangelegenheden de verkeerde beslissingen te nemen - bijvoorbeeld over de vraag of het weeshuis verzekerd moet worden of niet. Mevrouw Alving vindt dat het weeshuis verzekerd moet worden, maar Manders overtuigt haar ervan, in een zalvend schijnheilig betoog, dat het beter is om dat niet te doen. De mensen mochten eens denken dat zij onvoldoende vertrouwen op de beschikking van een Hogere Macht. 'En ik kan mijn ogen niet sluiten voor de zeer pijnlijke situatie waarin ik terecht zou kunnen komen.'

Als de volgende dag het weeshuis afbrandt, vanwege Manders' slordigheid met een kaars, beschouwt hij dat niet alleen als God's oordeel over de familie Alving, maar maakt hij zich ook meer zorgen over zijn eigen reputatie dan over iets anders. Hij vindt iemand anders bereid om de schuld op zich te nemen voor wat hij heeft gedaan. Manders heeft geen geweten. Hij is alleen maar bang voor wat anderen zullen zeggen.

Zijn uitleg waarom hij mevrouw Alving overhaalde terug te gaan naar haar man, toont dezelfde farizeïsche angst voor de publieke opinie:

Manders: 'Een vrouw mag niet oordelen over haar echtgenoot. Het is uw plicht om het kruis te dragen dat een hogere macht u heeft opgelegd. In plaats daarvan brengt u uw goede naam in gevaar en staat u op het punt de reputatie van anderen te ruïneren.'

Mevrouw Alving: 'Van anderen? Van één ander, bedoelt u?'

Manders: 'Het was uiterst onbezonnen om uw toevlucht bij mij te zoeken.'

Opnieuw kan er geen twijfel aan bestaan dat Ibsen zeer precies de vinger heeft gelegd op een pseudo-moraal waarin schaamte of sociale afkeuring de plaats inneemt van het persoonlijke geweten of het waarachtige morele principe. In naam van die pseudo-moraal moeten mensen - vooral vrouwen - lijden onder ellende, vernedering en geweld. Dit is niet louter een verzinsel dat ontsproten is aan de verbeelding van Ibsen. Ik heb de consequenties van deze pseudo-moraal waargenomen bij mijn jonge moslim-patiëntes, die blootstaan aan de kwellingen van een levende hel, en soms zelfs worden gedood door hun mannelijke bloedverwanten, alleen maar om de 'goede naam' van de familie in de ogen van anderen te redden.

Autonomie

In Een Poppenhuis en Geesten biedt Ibsen ons niet alleen kritiek maar ook positieve recepten. En omdat dat de recepten zijn van onze jaren zestig, hoewel ze tachtig jaar daarvóór geschreven zijn, vinden we hem nog steeds zo modern. Als Nora, in Een Poppenhuis, haar man vertelt dat ze bij hem weggaat, ondervraagt hij haar over haar plichten:

Helmer: 'Ben jij in staat om je heiligste plichten opzij te zetten?'

Nora: 'Wat noem jij mijn heiligste plichten?'

Helmer: 'Moet ik je dat nog zeggen? Je plichten zijn je echtgenoot en kinderen.'

Nora: 'Ik heb een andere plicht die even heilig is.'

Helmer: 'Wat voor plicht kan dat in godsnaam zijn?'

Nora: 'Mijn plicht tegenover mezelf.'

Nora zegt dat zij eerst en vooral mens is - of in elk geval moet proberen mens te worden. Als Nora nog geen mens is, wat zal haar dan tot mens maken? Het antwoord is: filosofische autonomie.

Nora: 'Ik wil niet langer accepteren wat mensen zeggen en wat in boeken staat. Ik moet de dingen zelf uitzoeken en mijn eigen antwoorden vinden.'

En het criterium dat ze gaat gebruiken om te beoordelen of haar eigen antwoord juist is, is of het goed is - 'in elk geval of het goed is voor mij'. Het postmodernisme is dus helemaal niet zo modern; Ibsen kende het al.

Even later maakt Nora de consequenties van haar nieuwe vrijheid duidelijk:

Nora: 'Ik wil de kinderen niet zien. In mijn huidige toestand kan ik niets voor ze betekenen.'

Met deze kille woorden verbreekt ze alle banden met haar drie kinderen - voorgoed. Haar plicht tegenover zichzelf laat geen ruimte om ook maar een moment aan hen te denken.

Als je, zoals ik, honderden mensen hebt ontmoet die als kind in de steek zijn gelaten door één of beide ouders, op wezenlijk dezelfde gronden ('ik heb mijn eigen ruimte nodig') en als je de blijvende wanhoop hebt gezien en de schade die dat teweeg brengt, dan kun je Een Poppenhuis niet zonder woede en afgrijzen zien. Dat bedoelde Ibsen toen hij zei dat vrouwenrechten hem niet echt interesseerden. Hij wilde iets veel belangrijkers verkondigen: universeel egoïsme.

Uit zowel Geesten als Een Poppenhuis wordt duidelijk dat Ibsen zich een samenleving voorstelde waarin iedereen zijn eigen Descartes was, alles afleidend uit eerste principes of wat daar maar onder verstaan wordt. Wanneer Manders voor de eerste keer bij mevrouw Alving thuiskomt, ziet hij een paar boeken die hij als gevaarlijk liberaal beschouwt:

Mevrouw Alving: 'Maar welk bezwaar hebt u tegen deze boeken?'

Manders: 'Bezwaar? U denkt toch niet dat ik mijn tijd verdoe met het bestuderen van dit soort publicaties?'

Mevrouw Alving: 'U heeft dus geen idee wat u veroordeelt?'

Manders: 'Ik heb meer dan genoeg over deze geschriften gelezen om ze af te keuren.'

Mevrouw Alving: 'Vindt u niet dat u uw eigen mening moet vormen?'

Manders: 'Mijn beste mevrouw Alving, er zijn vele zaken in het leven waarin men moet vertrouwen op het oordeel van anderen.'

Uit de mond van een personage dat door Ibsen wordt geminacht als een kwezel, zijn deze woorden, die een voor de hand liggende waarheid behelzen, bedoeld om onmiddellijk te worden verworpen. In Ibsen's filosofie moet iedereen elk probleem voor zichzelf onderzoeken en met zijn eigen antwoord komen; bijvoorbeeld of de Protocollen van de Wijzen van Zion historisch juist zijn - of in elk geval historisch juist voor hém.

De voor de hand liggende consequentie van die onafhankelijkheid van oordeel is de ineenstorting van de sociale barrières die ons gedrag inperken en die (in theorie) verhinderen dat mensen een toestand van volledig geluk bereiken, dat wil zeggen een volledige afwezigheid van frustraties. In alle toneelstukken van Ibsen is ongeluk het resultaat van het niet volgen van je ingevingen, ofwel door niet te doen wat je wilt ofwel door te doen wat je niet wilt, alleen maar om te gehoorzamen aan een sociale verplichting die wordt afgedwongen door de dominees van deze wereld:

Manders: 'Uw huwelijk werd ordentelijk ingezegend, volledig overeenkomstig de wet.'

Mevrouw Alving: 'Al dat gepraat over wet en orde. Ik denk vaak dat dat alle ongeluk in de wereld veroorzaakt.'

Incest

De zoon van mevrouw Alving, Oswald, is vanuit Parijs naar huis teruggekomen. Hij heeft syphilis. Volgens de dokter zal hij spoedig sterven in een toestand van waanzin. Oswald, die nog steeds gelooft dat zijn vader een goed mens is, denkt dat hij zijn ziekte aan zijn eigen gedrag te danken heeft. In werkelijkheid is zijn syfilis aangeboren, overgedragen door zijn vader. Mevrouw Alving twijfelt er niet aan dat de maatschappij verantwoordelijk is voor de ziekte van haar man, en zoon.

Mevrouw Alving: 'En dit gelukkige, zorgeloze kind - want hij [Alving] was toen net een kind - moest hier leven in een klein stadje dat hem geen enkel pleziertje te bieden had. En uiteindelijk gebeurde het onvermijdelijke. Je arme vader vond nooit een uitlaatklep voor zijn levensvreugde. En ik bracht ook geen sprankje zonneschijn in zijn leven. Ze hadden me van alles geleerd over plichten en dat soort dingen en ik ben daar veel te lang in blijven geloven. Op het laatst werd alles een kwestie van plicht; ik vrees dat ik het leven van je arme vader ondraaglijk heb gemaakt.

Om zulke tragedies te vermijden, moet iedereen zijn eigen ingevingen onmiddellijk volgen. Alleen relaties die geen institutionele beperkingen kennen, maken mensen vrij. Eerder zegt Manders tegen mevrouw Alving dat Oswald nooit een echt thuis heeft gekend:

Oswald: 'Pardon, mijnheer, maar dat heeft u helemaal mis.'

Manders: 'Oh? Ik dacht dat je alleen maar met kunstenaars was omgegaan.'

Oswald: 'Dat is ook zo.'

Manders: 'Met jonge kunstenaars.'

Oswald: 'Ja.'

Manders: 'Maar die mensen hebben meestal toch niet de middelen om een gezin te onderhouden?'

Oswald: 'Sommigen kunnen het zich niet veroorloven te trouwen, mijnheer.'

Manders: 'Dat zeg ik.'

Oswald: 'Maar dat betekent niet dat ze geen thuis hebben.'

Manders: 'Maar ik heb het niet over een vrijgezellenflat. Met een thuis bedoel ik een gezinswoning, waar een man woont met zijn vrouw en kinderen.'

Oswald: 'Precies. Of met zijn kinderen en hun moeder.'

Vervolgens komen we te weten dat deze 'informele gezinnen', juist omdat ze niet zijn gebaseerd op plichten en sociale druk, maar op een ongeremde liefde, ver boven conventionele gezinnen verheven zijn. Oswald vertelt over de harmonie die hij daar heeft aangetroffen: 'Daar heb ik nooit een beledigend woord gehoord en nooit iets immoreels gezien.' Oswald: 'Nee; weet u waar en wanneer ik immoraliteit ben tegengekomen in artistieke kringen?'

Manders: 'Nee, godzijdank niet.'

Oswald: 'Dat zal ik u zeggen. Dat zag ik wanneer er een model-echtgenoot en model-vader langskwam om daar een beetje rond te kijken. Die heren konden ons dingen vertellen waar we nog nooit van gedroomd hadden.'

Informele relaties zijn dus niet alleen gelukkiger dan formele, maar ze voorkomen bovendien de verspreiding van dezelfde syphilis waar Oswald aan lijdt.

Ik volsta met te zeggen dat dit niet overeenkomt met mijn medische praktijkervaring van de afgelopen 15 jaar.

Het recht - nee, de plicht - van iedereen om zelf te beslissen wat goed voor hem is, zonder dat de 'Geesten' uit het verleden hem misleiden, brengt mevrouw Alving ertoe incest goed te keuren. Oswald, die nog niet weet dat Regina zijn halfzuster is, wordt verliefd op haar en zij op hem. Hij wil met haar trouwen. Mevrouw Alving bespreekt het met Manders die nu weet van de bloedverwantschap tussen Oswald en Reina.

Manders: 'Dat zou verschrikkelijk zijn.'

Mevrouw Alving: 'Als ik wist dat hem dat gelukkig zou maken.'

Manders: 'Ja? Wat dan?'

Mevrouw Alving: 'Als ik niet zo'n ellendige lafaard was, zou ik tegen hem zeggen: Trouw met haar of wat je maar wilt. Als je er maar eerlijk en open over bent.'

Manders: 'Een wettig huwelijk, bedoel je? Dat is volstrekt ongehoord!'

Mevrouw Alving: 'Ongehoord? Denkt u echt, dat er in dit land niet méér van zulke getrouwde stellen te vinden zijn?'

Dit argument is typerend voor mensen die alle grenzen willen afschaffen. Als die grenzen niet volmaakt in acht worden genomen - wat onmogelijk is - dan moeten ze worden verwijderd; ze leiden alleen maar tot hypocrisie.

Mevrouw Alving ziet ontrouw aan je impulsen als het kwaad. Als Manders haar vertelt hoe pijnlijk de zelfbeheersing voor hem was, toen hij haar terugstuurde naar haar echtgenoot, terwijl hij verliefd op haar was, vraagt hij haar of dat soms een misdaad was. 'Ik denk het wel', antwoordt ze.

Oswald heeft zijn moeder gevraagd hem met een morfine-injectie te doden als hij opnieuw een aanval van waanzin krijgt. In de laatste scène krijgt Oswald zo'n aanval en de laatste woorden van mevrouw Alving in het stuk hebben betrekking op deze euthanasie-handeling: 'Nee, nee, nee! Ja! Nee, nee!' We komen er niet achter of ze het doet; Ibsen weigerde het te zeggen. Maar hij zag het duidelijk als een kwestie waarover iedereen tot een eigen besluit moest zien te komen, los van een wettelijke, conventionele en institutionele leidraad.

Geremd

De moderniteit van Ibsen's denken is duidelijk. De verheffing van de emotie boven het principe, van de impuls boven de plicht, van rechten boven verantwoordelijkheden, van het ego boven de aanspraken van anderen; het ongeduld met grenzen; het ik als de maat van alle dingen. Wat is moderner en bevredigender voor onze huidige smaak?

Ibsen was nog in een ander opzicht door en door modern. In zijn eigen bestaan was hij zeer conventioneel. Hoewel hij zich aangetrokken voelde tot andere vrouwen, wist hij de verleiding altijd te weerstaan; de onderscheidingen die hij had gekregen van Europese vorsten - en waar hij openlijk naar solliciteerde - droeg hij opzichtig. Hij was zeer burgerlijk en rigide. Zijn vrouw noemde hem Ibsen en zijn brieven aan haar tekende hij met Henrik Ibsen.

Zijn karakter werd gevormd door het protestantse piëtisme. Hij was geremd in een mate die zelfs onder zijn landgenoten ongewoon was. Als kind maakte hij het trauma mee van het faillissement van zijn vader en de val van welvaart en sociaal respect naar armoede en vernedering. Hij hunkerde naar een hoge status in een samenleving die hij haatte.

Het karakter van Ibsen lag vast, maar hij wilde graag anders zijn. Hij was een Calvijn die een Dionysius wilde zijn. Als hij dan zichzelf niet kon veranderen, kon hij tenminste proberen anderen en de samenleving te veranderen. Zoals zoveel moderne intellectuelen had hij er moeite mee zijn persoonlijke problemen te onderscheiden van sociale problemen. Kort voor hij Geesten schreef, werd zijn zoon Sigurd, die bijna zijn hele leven in het buitenland had doorgebracht, door de kerkelijke autoriteiten de toegang geweigerd tot de universiteit van Oslo. Ibsen schreef woedend: 'Ik zal een herdenkingsteken oprichten voor deze zwarte bende theologen.' En dat deed hij: dominee Manders.

Niets wijst erop dat Ibsen ooit dacht aan het effect dat zijn principes hadden op de samenleving. Deze onverschilligheid is niet verbazend, aangezien hij vond dat er niets goeds kon komen van de grote kudde der mensheid, die hij massa's en gepeupel noemde. Hij dacht dat hijzelf behoorde tot een aristocratie van het intellect, en aristocraten hebben natuurlijk recht op privileges die anderen niet worden toegestaan. Maar of we het nou prettig vinden of niet, we leven in een democratisch tijdperk waarin de privileges die sommigen verlangen, algauw door iedereen worden opgeëist. De zorgeloze vrije liefde van bohémiens gaat heel snel over in de gewelddadige chaos van de sloppen.

'Geesten bevat de toekomst'', zei Ibsen. Hij zei ook dat degene die het meest overeenstemt met de toekomst, het meest gelijk heeft. Maar hij toonde geen enkele vooruitziende blik in wat die toekomst zou kunnen brengen. Of de vele miljoenen die in de twintigste eeuw, als gevolg van de vernietiging van morele grenzen, zijn omgekomen, het met hem eens zouden zijn geweest, is de vraag.

mailIcon print |