tegen muren, onder bomen, in tuintjes, hofjes en verwaarloosde plantsoenen, en in het algemeen op bemeste plekken.
Twee moeilijk te onderscheiden soorten komen uit Amerika: het kaal knopkruid, gearriveerd in 1863, en het harig knopkruid, gearriveerd in 1920. Ze schijnen allebei te zijn ontsnapt uit botanische collecties en vervolgens te zijn verwilderd.
Beide zijn bekend als stadsplanten, maar vooral kaal knopkruid groeit ook op het platteland, op flink bemeste akkers. Harig knopkruid is een kosmopoliet, wat wil zeggen dat de plant zich over alle wereldsteden heeft verspreid. Het is een typische stadsminnende soort, het meest algemeen in Zuid-Nederlandse steden, omdat hij gevoeliger is voor vorst. De bloemhoofdjes van het knopkruid zien er merkwaardig uit, want om het gele hart van buisbloemen staan maar vijf witte lintbloemen met ruime openingen ertussen, waardoor ze op gewone bloemen lijken. De grasgroene planten hebben eironde bladeren met een toegespitste top aan lange stengels.
De trek van de kauwen in zuidelijke richting is in volle gang en de herfsttrek van eenden en ganzen is al in september begonnen. In de morgen trekken vaak grauwe en kolganzen over. Verschillende eendensoorten zijn te zien op beschutte gedeelten van het open IJsselmeer en in de randmeren. Let eens op de grote zaagbek, een eend van het formaat van een gans. De woerden vallen op door hun zwartgroene kop en rug en hun witte flanken.
www.henkvanhalm.nl
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.