Essayist Joshua Livestro signaleert een streven om te willen terugkeren naar vroeger, ’naar de tijd van vóór de polarisering, vóór de kogels, de messteken en de harde woorden over de (radicale) islam’. Maar ’wat bedoeld is als een herstel van oude verhoudingen, draagt in praktijk vooral bij aan de voortschrijdende islamisering van de Nederlandse samenleving’. Degenen die zich hiertegen verzetten, worden maatschappelijk verstoten.
Al maanden zingt het woord door de Haagse wandelgangen. In de salons van de grachtengordel wordt het inmiddels ook voorzichtig hardop uitgesproken: normalisering. Waarom kunnen we niet gewoon weer normaal doen? Kan het niet eens afgelopen zijn met de scherpslijperij en het populisme? Kunnen we elkaar niet gewoon naar goed Hollands gebruik in zijn waarde laten? Men wil terug naar vroeger, terug naar de tijd van vóór de polarisering, vóór de kogels, de messteken en de harde woorden over de (radicale) islam. Men wil rust, orde en regelmaat. Niet langer hard tegen hard, maar zacht tegen zacht. Tijd voor elkaar, een vriendelijk woord, een schouderklopje, samen doorpolderen, uiteraard in goed overleg.
Het geboortemoment van de normalisering was de publicatie eerder dit jaar van het pamflet Eén land, één samenleving, een schrijven van negen min of meer bekende Nederlanders die, onder aanvoering van de voormalige VVD-leider Hans Dijkstal, hun zorg uitten over de ’gepolariseerde verhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen in Nederland’. In praktijk bleken die ’gepolariseerde verhoudingen’ terug te brengen tot één enkele schijnbaar onverzoenlijke tegenstelling: tussen moslims (5 procent van de bevolking) en niet-moslims (95 procent). De auteurs vreesden ’een verscheurd Nederland’ met ’spanningen, conflicten en botsingen’. Het alternatief omschreven zij als ’fatsoenlijk, open, () welvarend, rechtvaardig () en vreedzaam samenleven’ waarbij ’eenheid en saamhorigheid voorop staan’, kortom: ’één land, één samenleving!’
Het hoge moederschap en appeltaart-gehalte van het door de negen aangedragen alternatief maakt al meteen duidelijk wat het probleem is met de normalisering. De beloofde toekomstvisie blijft steken in algemene kreten. Op de leden van de Hofstadgroep-sekte na is immers iedereen voor welvaart, rechtvaardigheid en vrede, Geert Wilders net zo goed als Hans Dijkstal, Ayaan Hirsi Ali evenzeer als Anja Meulenbelt. Een definitie die alles insluit, is geen definitie. De vraag blijft dus: wat is nu eigenlijk die normalisering waarnaar de ondertekenaars van het pamflet zeggen te streven? Wat beoogt die te bereiken? Waaruit zou moeten blijken dat we die gewenste eindstaat bereikt hebben?
Het eerlijke antwoord luidt: dat weten de voorstanders eigenlijk zelf ook niet. Bij gebrek aan bruikbare definities valt men terug op de strategie van kleine stapjes. Met een eindeloze serie maatregelen hoopt men het lijntje tussen moslims en meerderheid intact te houden: ’Samen bouwen wij een nieuwe samenleving op’. In praktijk blijkt deze strategie echter een eenrichtingsstrategie, van de Nederlandse samenleving in de richting van de islamitische nieuwkomers. Het stellen van zelfs de meest minimale tegeneisen aan de islamitische nieuwkomer wordt als intolerant gezien. Zo schrijven de negen over hun tegenstanders dat die ’de eigen nationale identiteit van de Nederlandse samenleving [willen] cultiveren en bewaken’ en ’van degenen die hier komen (en in het verleden zijn gekomen) verlangen dat zij zich aanpassen’. Het klinkt haast als een beschuldiging, en zo is het ook bedoeld. Het is niet voor niets dat de auteurs van het pamflet het inburgeringstreven in één adem noemen met ’fysiek geweld jegens en vernedering van immigranten’. (Vraag aan de ondertekenaars: waar is het islamitische equivalent van het Goudse centrum of de Amsterdamse Diamantbuurt, stadsdelen die langdurig door islamitische jongeren werden geterroriseerd? Wijs mij hem aan, en ik kom er graag met u demonstreren voor vrede en gerechtigheid. Als die wijk echter niet blijkt te bestaan, wilt u deze suggestieve woorden dan weer intrekken?)
De door de negen voorgestelde aanpak is in feite een voortzetting van het oude multiculturele beleid van eindeloze concessies aan de nieuwkomer. Dat beleid heeft ertoe geleid dat Nederlandse normen, waarden en gebruiken stukje bij beetje zijn opgeofferd aan de vraatzucht van het radicale smaldeel van de islamitische nieuwkomers. Het door de ondertekenaars van het pamflet geprezen ideaal van een open samenleving is inderdaad zonder meer een nastrevenswaardig doel. Maar hoe kan die open samenleving gediend zijn met de zelfcensuur die inmiddels in de wereld van de kunsten en de journalistiek wordt toegepast wanneer het gaat om het schrijven of spreken over de islam? Na de campagne van bedreigingen die leidde tot het van de planken halen van het toneelstuk Aisja en de vrouwen van Medina in 2000 heeft geen enkele theaterproducent het nog aangedurfd een islamonvriendelijk stuk op de planken te brengen. Toen Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes tijdens het hoogtepunt van de internationale rellen over de veelbesproken, maar weinig bekeken Deense spotprenten over Mohammed zijn collega-hoofdredacteuren opriep om gezamenlijk tot publicatie van de gewraakte cartoons over te gaan, gaven ze niet thuis. Zijn dit voorbeelden van het door de ondertekenaars gewenste ’wederzijds respect’, of hebben we hier te maken met knievallen voor de terreur? Waarom lezen we in het pamflet helemaal niets over deze ondermijning van de open samenleving?
De recente ophef rond de afscheidsrede van de Utrechtse professor Van der Horst, waarin deze aandacht wilde besteden aan de historische links tussen het nazistische en het moderne islamitische antisemitisme, kwam voor het manifest te laat. Maar waarom lieten de ondertekenaars niets van zich horen toen duidelijk werd dat academische bestuurders hadden geprobeerd de professor te censureren? Zij hadden toch beloofd ’de democratische verworvenheden van Nederland te verdedigen’? Een massale publieke demonstratie ter verdediging van de open samenleving was misschien te veel van het goede geweest, maar een kleine steunbetuiging aan de professor had er toch wel vanaf gekund, lijkt mij. Of mogen we concluderen dat Dijkstal en de zijnen dit soort censuur van islamkritische uitspraken als een noodzakelijke prijs beschouwen voor het in vrede kunnen leven met de radicale elementen van die godsdienst?
De vaststelling van de ondertekenaars dat de Nederlandse samenleving te weinig zou doen om zich aan te passen aan de kleine minderheid van islamitische nieuwkomers lijkt hoe dan ook onjuist. Integendeel, het proces van aanpassing van ons land aan de islamitische nieuwkomers duurt nog altijd voort. Het gaat daarbij overigens niet alleen om cosmetische aanpassingen aan het stadsbeeld, hoewel ook op dit vlak ingrijpende ontwikkelingen plaatsvinden. In alle grote steden verrijzen kolossale moskeeën die met hun tientallen meters hoge koepels en nog hogere minaretten het stadsgezicht blijvend zullen beïnvloeden.
Van fundamenteler betekenis is het feit dat de besturen van deze moskeeën vaak, al dan niet op incidentele basis, financieel worden ondersteund door gemeentebesturen (wellicht vanuit de naïeve gedachte dat je met geld liefde kunt kopen?). Daarmee wordt immers een grens overschreden in de ook door de ondertekenaars van het pamflet als wezenlijk omschreven scheiding van kerk en staat. Het is niet de enige concessie die het wezen van de Nederlandse cultuur raakt. Het hoofddoekje is een van overheidswege erkend religieus kledingstuk geworden. Men ziet ze dan ook overal opduiken: in de rechtszaal, op het politiebureau, voor de klas, ja zelfs op paspoorten en andere officiële Nederlandse identiteitspapieren. Veel basisscholen (zelfs de christelijke) vieren het islamitische suikerfeest. In sommige gevallen gaat dit zelfs ten koste van het traditionele sinterklaasfeest. In datzelfde kader past ook het pleidooi van de (christelijke) staatssecretaris Van Gennip om twee extra vrije dagen per jaar ter beschikking te stellen voor het vieren van religieuze feesten. Dit zou moslims in staat moeten stellen om in alle rust het eind van de ramadan te vieren.
Ieder voor zich lijken het niet meer dan kleine stapjes. Maar de vraag dringt zich op waar dit proces moet eindigen. Vele kleine stapjes maken immers uiteindelijk één grote. Als we de brug van de invoering van islamitische feestdagen eenmaal hebben genomen, waarom bijvoorbeeld dan niet ook de traditionele weekindeling op de schop? De vrijdag is voor ons een normale werkdag, voor de moslim een rustdag. Daar zou dus ook verandering in kunnen komen. En waarom niet de polygamie legaliseren? Dat laatste is overigens het stadium van de progressieve borreltafel al ruim gepasseerd. Tien jaar geleden pleitte de JOVD al voor formeel-juridische erkenning van veelwijverij. Kort geleden viel uit de pen van de Tilburgse hoogleraar Ad Vingerhoets een vergelijkbaar pleidooi op te tekenen. Hij stelde daarbij wel als voorwaarde dat de vrouwen niet onderdrukt zouden mogen worden. Op de vraag hoe dat in praktijk zou moeten worden gecontroleerd, bleef hij vooralsnog het antwoord schuldig.
Ziedaar de eerste paradox van de normalisering: wat bedoeld is als een herstel van oude verhoudingen, draagt in praktijk vooral bij aan de voortschrijdende islamisering van de Nederlandse samenleving. Zover als in de Canadese provincie Ontario, waar de sjaria een officieel geldend rechtssysteem is, zal het waarschijnlijk voorlopig niet komen – niet in de laatste plaats overigens dankzij het principiële verzet van een kleine maar spraakmakende groep intellectuelen en politici. Dat verzet wordt hen door de ondertekenaars van het pamflet trouwens bepaald niet in dank afgenomen. Zij verwijten hen een ’luidruchtig populisme’ te propageren waarin ’alle nuances verloren gaan’, een populisme dat polariseert door ’bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten’.
Hier manifesteert zich de tweede paradox van de normalisering. Met een beroep op de open samenleving worden denkers, schrijvers en politici die dezelfde open samenleving willen verdedigen tegen de radicale islam monddood gemaakt. De Italiaanse schrijfster Oriana Fallaci schetst in haar boek De kracht van de rede hoe dit proces in zijn werk gaat: ’Je lichaam zal met geen vinger worden aangeraakt, je bezittingen zullen niet in beslag worden genomen en je politieke rechten zullen niet worden geschonden. Je mag zelfs gaan stemmen. Maar je mag je niet verkiesbaar stellen, want ik zal verkondigen dat je oneerbaar, krankzinnig en crimineel bent. Ik zal je veroordelen tot verstoting uit de maatschappij, ik zal een misdadiger van je maken, en de mensen zullen niet naar je luisteren. Sterker nog, degenen die denken zoals jij, zullen je in de steek laten om te voorkomen dat ze op hun beurt ook gestraft zullen worden.’ (Vertaling Karin van Puffelen, De kracht van de rede, Amsterdam, Bert Bakker, 2005.)
Dit proces hebben we in ons land de afgelopen jaren al een aantal malen mogen aanschouwen. Zo verging het Frits Bolkestein, die in de vroege jaren negentig het debat over de onverwachte negatieve gevolgen van immigratie uit islamitische landen openbrak. PvdA-voorman Jacques Wallage verweet hem het bespelen van de onderbuik. De Haagse media beschuldigden hem van xenofobie, revanchisme en misantropie. Hanja Maij-Weggen trok uit al die beschrijvingen de enige logische conclusie door Bolkestein met de Vlaamse populistische voorman Filip Dewinter te vergelijken.
Zo verging het ook Pim Fortuyn, die aan het debat over islam en integratie een nieuwe draai gaf door openlijk te pleiten voor het sluiten van de grenzen voor nieuwkomers uit islamitische landen. Marcel van Dam maakte hem uit voor minderwaardig mens. GroenLinkser Paul Rosenmöller beschuldigde hem ervan extreem-rechtse denkbeelden te hebben en verklaarde op parmantige wijze dat een Fortuynlijk Nederland onmogelijk een Leefbaar Nederland kon zijn. Fortuyn werd vergeleken met Janmaat, Mussert, Le Pen, Hitler, Himmler en opnieuw Filip Dewinter. Met het aantreden van Fortuyn zou ons land zeker afglijden naar de ’donkere jaren dertig’ (aldus Hans Kombrink, PvdA Rotterdam). Logisch dus dat andere politici in hun beeldspraken teruggrepen op de Tweede Wereldoorlog. Thom de Graaf verwees naar Anne Frank, VVD-voorzitter Bas Eenhoorn naar Mussolini en NRC-hoofdredacteur Folkert Jensma (nota bene op de dag dat Fortuyn werd doodgeschoten) naar de Dodenherdenking.
In vergelijking met de grove behandeling van Fortuyn had Ayaan Hirsi Ali het nog gemakkelijk, al ontkwam ook zij niet aan het etiket ’verlichtingsfundamentalist’ en aan vergelijkingen met bijvoorbeeld Joseph Goebbels (Geert Mak vergeleek haar film Submission met de antisemitische film Der ewige Jude, gemaakt in opdracht van de nazi-leider). Geert Wilders heeft het op dit punt zwaarder te verduren. In deze krant (20-10-2004) vergeleek commentator Willem Breedveld Wilders’ kritiek op de islam met de houding van de nazi’s ten opzichte van de Joden. In HP/De Tijd raadde J. A. A. van Doorn Wilders aan het partijprogramma van Janmaats Centrumpartij als bron van inspiratie te gebruiken. Het meest recente slachtoffer van dit proces is minister Verdonk. Zij werd onlangs door Hans Dijkstal (inderdaad, de Dijkstal van het manifest) vanwege haar ’populisme’ in één adem genoemd met Le Pen, Haider en Dewinter. Het was niet meer dan een uiting van zorg, uiteraard. Dijkstal zou haar natuurlijk nooit monddood willen maken. Het gaat hem immers om de vrije samenleving.
Zo maakt de ’één samenleving’-elite haar tegenstanders maatschappelijk dood. Let wel: maatschappelijk, niet lijfelijk. Aan het lijf van deze elite geen messentrekkerij of pistoolschoten. Dat zou immers niet passen bij hun pacifistische inborst (diezelfde pacifistische inborst weerhield hen er overigens niet van om bij de moord op Theo van Gogh de schuld vooral bij het slachtoffer te zoeken. Zo verklaarde minister Brinkhorst het maken van Submission ’onverstandig’ te hebben gevonden: ’Toen ik die film zag, dacht ik: Oei, oei, loopt dit wel goed af?’ Daarmee verwees hij natuurlijk niet naar het lot van de miljoenen vrouwen die in islamitische landen als tweederangs burgers worden behandeld, maar naar het lot van de filmmaker. Wat hij eigenlijk bedoelde was: dat krijg je ervan als je dit soort taboeonderwerpen aansnijdt. Houd toch liever gewoon je mond). Onze ’één samenleving’-elite doodt niet met grof geweld, maar met duizend speldenprikken. Een fluistercampagne hier, een interviewtje daar, en langzaam maar zeker sluit het net zich om het argeloze slachtoffer.
Opnieuw luidt de vraag: waar eindigt dit proces? Fortuyn is dood, Hirsi Ali is vertrokken, Wilders leeft een onderduikersbestaan. Stel dat we Dijkstal zijn zin geven en we ook Verdonk maatschappelijk dood maken, bijvoorbeeld door haar te dwingen de VVD te verlaten. Houdt het dan op? Zo nee, wie is dan het volgende slachtoffer? Is het ooit genoeg? Of moet de levensboom van de Nederlandse open samenleving constant worden gevoed met de tot mest vermalen reputaties van dissidenten, een soort democratische versie van de Azteekse offercultuur?
Normalisering is zonder twijfel een prachtig ideaal. Een in rust, orde en regelmaat ingebedde vrije samenleving, ik zou er zonder meer voor tekenen. Maar niet op de manier die de auteurs van het pamflet voorstaan. De door hen gepropageerde aanpak leidt immers in de praktijk eerder tot ondermijning van de vrije samenleving dan tot versteviging ervan. Dan nog liever de polarisatie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.