’Ik was zes toen mijn ouders gingen scheiden. Mijn moeder had een rose bloes aan met zwarte spikkels toen ze het me vertelde.
Ik lag in bed. ,,Mama gaat weg”, zei ze. Ik vroeg: ,,Waarheen dan?’’ Ik had het niet in de gaten. Ze huilde en toen dacht ik: dit is niet helemaal goed.
Ze ging niet meteen weg, het leven ging eerst gewoon door. Ik logeerde met mijn broer bij een tante. Toen we thuis kwamen was de huiskamer leeg. De bank was weg en mijn vader zat op een tuinstoel, heel verdrietig. Ik heb hem een tekening gegeven die we op school hadden gemaakt.
Mijn vader werkte halve dagen, mijn moeder fulltime. Ik hoorde dat mijn moeder ons mee had willen nemen, maar dat zou niet handig zijn. Wij hadden dan naar de buitenschoolse opvang gemoeten of mijn vader had ons steeds moeten ophalen.
Mijn moeder had voor zichzelf gekozen; zij was de boosdoener, zij had mijn vader verdriet gedaan. Ik heb daar met haar nooit goed over gepraat. Het is te pijnlijk voor haar en voor mij. Als ik er met haar over praat, dan begint ze altijd over zichzelf. Ze gaat zich verdedigen of vertelt dat het eigenlijk anders had moeten gaan. Er is geen ruimte voor mijn verdriet of schuldgevoel.
Ik was door de week bij mijn vader en elk weekend bij mijn moeder. Dat betekent dat ik nooit langer dan vier of vijf nachten achter elkaar in hetzelfde bed sliep.
Ik voelde me rot als ik bij mijn moeder was. Dan nam ik een zakdoek mee met de geur van mijn vader. Er waren daar ook geen vriendinnetjes; ik was alleen.
Ik zie haar nu eens per twee of drie maanden. Als ik bij mijn vader ben zing ik onder de douche, bij mijn moeder niet. Bij haar praat ik over paardrijden, bij hem niet. Mijn moeder houdt van paardrijden en ze is er ook goed in. Ik vind het wel knap van mijn vader dat hij me naar mijn moeder liet gaan, hoe rot ik het ook vond. Mijn vader is de perfecte moeder.
Ik was heel braaf en lief, dat ze maar geen last van mij hadden. Papa en mama hadden al genoeg verdriet. Soms wilde ik liever verdwijnen.
Maar als puber verfde ik mijn haar blauw. Mijn vader vond alles goed, dat was bijna onverschilligheid; mijn moeder bemoeide zich er niet mee.
Ik lijk erg op mijn moeder. Daar ben ik blij om: ik heb haar zo gemist en ze zit in mij; dat raak ik niet kwijt. Maar soms ben ik bang dat ik hetzelfde als mijn moeder ben. Ik maak me daar wel zorgen over, als ik denk aan trouwen en kinderen krijgen, wat ik graag wil. Ik wil ook wel graag dat alles perfect is. Toen mijn moeder wegging had ze denk ik geen idee wat dat voor gevolgen zou hebben voor mij, later.
Ik studeer nu humanistiek. Daarmee kan ik een beroep kiezen waarbij ik mensen help bij vragen rond zingeving.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.