Sinds de peuter Savanna door haar moeder om het leven werd gebracht, komen de gebreken van de jeugdzorg steeds meer aan het licht. Hoofdinspecteur Joke de Vries is de baas van de inspectie jeugdzorg. „Ik zie een opgaande lijn, maar het kan en moet nog beter.”
De zorg voor kinderen en gezinnen komt oorspronkelijk voort uit lokaal vrijwilligerswerk en charitas. Dat verklaart veel van de huidige stand van zaken binnen de jeugdzorg, vindt hoofdinspecteur Joke de Vries van de inspectie jeugdzorg. „Er werken in de jeugdzorg bevlogen mensen die met hart en ziel de zorg voor ouders en kinderen op zich nemen”, zegt zij. „Maar aan professionaliteit schort het wel eens.”
De jeugdzorg bevindt zich in een achterstandspositie ten opzichte van bijvoorbeeld de gezondheidszorg, vervolgt zij. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar welke aanpak goed werkt bij problemen met kinderen. En de opleidingen tot jeugdzorgwerker hebben nog weinig diepgang en kennen niet veel specialisaties. „Maar er wordt vanuit de politiek hard gewerkt aan een inhaalslag. Ook komt het wetenschappelijk onderzoek nu wel goed op gang.”
De professionaliteit zou ook geholpen zijn met de instelling van een eigen tuchtrecht voor de jeugdzorg, zoals ook de medische beroepsgroep die heeft, denkt de inspecteur. „Zo’n tuchtrecht tilt de beroepsgroep naar een hoger niveau.”
Maar de jeugdzorgwerkers zijn niet heel sterk georganiseerd en hebben dit tuchtrecht nog niet van de grond gekregen. „Dat is wel nodig, denk ik. Dan komt er jurisprudentie en wordt het duidelijk aan welke regels de beroepsgroep zich moet houden.”
Het lopende strafrechtelijk vooronderzoek tegen de gezinsvoogd van de in 2004 door zware mishandeling overleden peuter Savanna was niet nodig geweest, denkt zij. Die zaak had door een interne tuchtcommissie kunnen worden behandeld. De gezinsvoogd bleek te zeer voor een goede relatie met de moeder gekozen te hebben en had te weinig oog voor de veiligheid van Savanna, aldus het inspectierapport.
Is de gezinsvoogd strafbaar? Deze nog onbeantwoorde vraag die nu bij het OM ligt, heeft grote gevolgen voor de werkers in de jeugdzorg, denkt De Vries. „Dat je juridisch vervolgd kan worden als je iets verkeerd doet in je werk, is bedreigend. Dat geeft druk. Maar in tegenstelling tot de gezondheidszorg is er geen tuchtrecht in de jeugdzorg, dus ik begrijp het OM wel.”
De Vries pleit in het gisteren verschenen jaarverslag van de inspectie voor brede samenwerking tussen iedereen die met kinderen te maken heeft; van de school tot de huisarts tot de psychiater van moeder of vader.
De Vries: „Uit onderzoek naar grote gezinsrampen, zoals die van Savanna, komt telkens naar voren dat die samenwerking ontbreekt. Na zo’n calamiteit kijken wij naar welke instelling wat heeft gedaan. Waar zijn signalen van gevaar niet doorgegeven? Dan komen we vaak terecht bij hulpverleners van de ouders.”
Zij willen hun beroepsgeheim niet schenden. „Dat is niet terecht.’’
Zij hebben de morele verplichting om jeugdzorg in te schakelen als kinderen van hun patiënten mogelijk gevaar lopen. Het gaat niet om vrijgeven van details over bijvoorbeeld een psychische ziekte van een ouder. Maar je moet wel rekening houden met de risico’s die kinderen van verslaafde, ex-gedetineerde, psychiatrisch zieke ouders lopen. Die kunnen bijvoorbeeld gewelddadig zijn. Zij die met deze mensen werken, ook de medici, moeten zich eens gaan afvragen hoe ze contact kunnen krijgen met de jeugdzorg, zodat al heel vroeg signalen over mogelijke onveiligheid van een kind bekend zijn.”
Die signalen houden ook veel organisaties en instellingen – van de sportclub tot de school tot de gezinsvoogd – vaak voor zich, merkt de inspectie. „Soms blijven die zelfs bij één persoon, vaak blijven ze binnen de koker van de instelling. Schakel het Advies en Meldpunt Kindermishandeling in als je denkt dat er iets met een kind aan de hand is. Dat betekent heus niet dat een kind meteen wordt weggehaald uit het gezin. Wel dat er hulp komt.”
Zodra er een risico is geconstateerd, moeten alle partijen – van school tot huisarts – om de tafel en afspraken maken: wie houdt wat in de gaten en wie grijpt in als het niet goed gaat. Als dit al gebeurt, gaat vaak in de naleving van de afspraken weer wat mis. „Een school bijvoorbeeld belooft in de gaten te houden of een kind wel verschijnt. Maar meldt het vervolgens toch niet bij de hulpverlening, als dat niet gebeurt. We willen het niet te zwaar maken, heet het dan.”
Of een medewerker van Bureau Jeugdzorg belooft ouders aan te spreken over zorgen over een kind, en doet dit toch maar niet. „Jeugdzorgwerkers zijn bang om ouders hard aan te spreken. Terwijl die uiteindelijk juist opgelucht zijn als een probleem benoemd wordt.”
Een positieve uitzondering vormt de politie. „Die heeft gezag, en als ouders hulp afhouden, durven zij gewoon te zeggen: zo kan het niet langer.” En ook de politiek is doordrongen van de noodzaak dat het anders moet, merkt zij.
Niet dat dit altijd helpt. De Vries constateert een grote afstand tussen het landelijk beleid en de uitvoering op de werkvloer. Tot voor kort gold voor de gehele jeudzorg het zogenoemde ’zo, zo, zo-beleid’: hulp moest bij voorkeur ’zo licht mogelijk zijn, zo dicht mogelijk bij huis, zo snel mogelijk’.
Na de dood van Savanna is dit gewijzigd in: bij risico zo snel mogelijk ingrijpen. Maar lang niet overal wordt dit in de praktijk gebracht. „Nog steeds is de aandacht vaak op de ouders gericht. Men wil de relatie goed houden en vergeet daarbij soms dat het kind risico loopt.”
Maar er gaan ook dingen goed. Een onderzoek van de inspectie in 2005 naar het opvangen van kinderen die acuut uit huis geplaatst zijn, toonde aan dat de zogenoemde crisisopvang goed gebeurt.
’Echt prima’ is volgens de inspecteur ook het zogenoemde Deltaplan ter verbetering van het werk van gezinsvoogden. Dat voorziet in het verlagen van de werklast, zodat er meer tijd komt voor direct contact met de kinderen waar de voogd op toe moet zien. En het geeft een heldere aanpak van gezinnen in problemen. Zodat duidelijk wordt wanneer een kind uit huis geplaatst moet worden. „Ik had alleen verwacht dat dit plan nu wel landelijk ingevoerd zou zijn. Maar dat is niet het geval; het gaat nog wel twee jaar duren. Jammer.”
De Vries is verder positief over de initiatieven die genomen zijn om de wachtlijsten in de jeugdzorg weg te krijgen. „Dat zou dit jaar echt moeten lukken.”
Ze ziet een opgaande lijn in de kwaliteit van de jeugdzorg. „Het is cru, maar de tragische dood van Savanna heeft daaraan bijgedragen. Het onderwerp staat op de agenda, er zijn plannen, er is geld. Dat is geweldig. Savanna is de katalysator geweest voor verbeteringen in de jeugdzorg. Maar het kan én moet nog beter.” Harriët Salm
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.