*

 

De brille van Yves Petry

Rob Schouten − 02/09/06, 00:00

Aardig is hij niet, en een originele boodschap heeft hij evenmin. Maar weinig aanstormende Vlamingen beschikken over zo’n wervelende stijl als Yves Petry. Nu die puberale meligheid nog afleren.

Afgelopen seizoen deed het gerucht de ronde dat de Vlaamse literatuur zou bloeien als nooit tevoren. Het is maar hoe je ertegenaan kijkt, feit is echter dat ze hard bezig lijkt haar ietwat provinciale imago van zich af te schudden. Een grootschalige, megalomane roman als ’Zwerm’ van Peter Verhelst, of de in ’Alfa Amerika’ met hedendaagse documentaire-vormen spelende jonge schrijver Jan van Loy bevestigen dat beeld. Ook Yves Pétry past in het rijtje Vlaamse hemelbestormers. Zijn vorige romans, ’Het jaar van de man’, ’Gods eigen muziek’ en ’De laatste woorden van Leo Wekeman’, leerden hem kennen als een enfant terrible dat met gemak de Vlaamse erfenis verkwanselt en zich wil meten met internationale schrijvers. Qua mentaliteit hoort hij thuis bij de Franse schrijver-provocateur Michel Houellebecq, en dichter bij huis bij onze eigen Arnon Grunberg.

Helemaal ontgroeid aan zijn geboortegrond is deze nestvlieder nog niet. Zo lijken er nog acnesporen in zijn werk aanwezig van Herman Brusselmans, zij het op een oneindig veel hoger niveau. Een zekere meligheid kan ook hem niet ontzegd worden, bijvoorbeeld als het gaat om het neerzetten van een milieu of in het uitdelen van namen aan zijn personages. In zijn jongste roman ’De achterblijver’ bijvoorbeeld, komen we naast Dirk Druilhans (verwijzing naar de schrijver Dirk Draulans), Zak en Gram Goetleven, en de bitch Dr. Bitschkowa, ook de Ziekte van Pick tegen. Flauw genoeg, maar goed, flauw waren W.F. Hermans en Gerard Reve soms ook.

In zijn vorige boeken leek Pétry vooral te rebelleren tegen orde en regelmaat, tegen het perspectief van een kleurloze, technologische maatschappij. Rijker West, de held van ’Gods eigen muziek’, bijvoorbeeld, wordt op klaarlichte dag overvallen door een liefde waar zijn omgeving geen enkel begrip voor kan opbrengen. Leo Wekeman uit de naar hem genoemde roman verzet zich tegen de macht van zijn hoofdredacteur en wordt, hetero, verliefd op een mannelijke collega.

Het exemplaar in ’De achterblijver’ is op het eerste gezicht juist de antipode van zo’n romantische rebel. Gram Goetleven is een jonge rationele geleerde die werkt aan een soort ultieme toekomstmachine die de mens zal overvleugelen en ten slotte overbodig maken, Baby geheten. Menselijke verhoudingen en gevoelens interesseren hem nauwelijks, psychologie speelt in zijn beleving geen enkele rol, over zaken als seks of intermenselijkheid kan hij alleen maar sarcastisch zijn.

We treffen hem aan, pal nadat zijn vader overleden is en hij zich opmaakt om namens de firma Carnitec een lezing over de toekomst te gaan geven aan een stelletje geleerden in Texas. Dat er allicht toch meer gevoel in hem schuilgaat dan hij wil doen voorkomen, blijkt uit zijn danige vliegangst, maar voor de rest is zijn relaas eigenlijk een langdurige tirade tegen emotionaliteit, menselijke zwakte en zielsbewegingen.

In plaats van zijn lezing voor te bereiden, weidt hij echter vooral uit over zijn omgeving, over zijn vader, een gedegenereerde ingenieur die zich na zijn scheiding in het sekstoerisme stort en daar een fatale syfilis oploopt; over zijn moeder, die met een twintig jaar jongere travestiet gaat samenwonen; over zichzelf, een aseksueel die louter uit organische behoefte zo nu en dan een darkroom bezoekt.

Het zijn bepaald geen modale profielen – wie de Vlaamse literatuur volgt, krijgt bij auteurs als Brusselmans, Dimitri Verhulst en ook deze Pétry geregeld het gevoel dat het daar een soort burleske bananenrepubliek is. Ook Gram Goetleven schildert zijn omgeving af als een soort zwakzinnige karikatuur. Over moeders vriendje Alain denkt hij bijvoorbeeld: ,,Mensen als Alain hadden natuurlijk een ziel. Dat soort volk kende nu eenmaal geen intellectuele scrupules.’’ Menselijk geluk komt in zijn woordenboek niet voor: ,,De onverbloemde eenzaamheid van het samenzijn, de manifeste onverenigbaarheid der geesten, het sloot meer aan bij mijn opvattingen dan deze idylle.’’ Hij is de slimme rascynicus, maar hij weet ook: ,,Cynisme is verleidelijk omdat je als cynicus in grote lijnen natuurlijk altijd gelijk hebt.’’

Tegen het einde van het verhaal blijkt de toekomstdroom van Baby, waaraan Gram Goetwegen zijn onmenselijke toekomstperspectieven ontleent, beetje bij beetje te worden ontmanteld, zijn grote voorbeeld Dr. Miami krijgt z’n congé, en de geplande lezing gaat niet door. Einde verhaal. Boodschap: technocratische, onmenselijke toekomst legt het af.

’De achterblijver’ is een soort sprookje met even satirische als misantropische trekken. Eerlijk gezegd heeft het verhaal, met zijn tenslotte vrij eenvoudige boodschap, weinig om het lijf. Maar het zijn de verblindende stijl en het intellectuele vuurwerk van Pétry die het geheel overeind houden. Hij is een begenadigd stilist, zoals er in Vlaanderen de laatste jaren geen meer is opgestaan. Zijn brille heeft werkelijk niets boertigs of sappig-Vlaams. Hij schrijft als een jonge, zelfverzekerde God. Taal is voor hem belangrijker dan psychologisch raffinement. Hij zwelgt in de schoonheid van zijn welbespraaktheid, bij deze ondergaande zon bijvoorbeeld: ,,Een voor een legde ze haar kleuren af, het zilveren wit van de dag, de geelzucht van de vooravond, het oranje van haar nakende ondergang, om zich ten slotte door al dat stof te laten villen en finaal leeg te bloeden in een scharlakenrode plas die reikte van noord naar zuid.’

Nu alleen nog wat kinderachtigheden en flauwiteiten overwinnen en we hebben een groot schrijver.

mailIcon print |