*

 

China zit niet te wachten op sterren

door Henny de Lange − 10/06/06, 00:00

Alles moet hoger, groter en nieuwer in het moderne China. Een enkele architect is kritisch en probeert op begrippen als duurzaamheid en menselijke maat te letten. Die ideeën zijn deze zomer in het Nederlands Architectuurinstituut te zien. In Boijmans en het Nederlands Fotomuseum is te zien hoe kunstenaars reageren op de nieuwe Chinese droom.

Ga niet de held of ster uithangen of Nederlandse architecten imiteren. Dit advies geeft professor Xiaodong Li van de architectuurfaculteit van de Tsinghua Universiteit in Peking zijn studenten tegenwoordig mee. China heeft geen behoefte aan nog meer architecten die de status ambiëren van beroemde buitenlandse architecten als Rem Koolhaas en die uitsluitend iconen willen bouwen. „Bijna elke architect in China droomt van een carrière als held en wil landmarks bouwen”, schampert de hoogleraar. „Maar we zitten niet te wachten op sterren. We hebben architecten nodig die de problemen oplossen die het gevolg zijn van de razendsnelle ontwikkeling van dit land”, zegt Xiaodong, die in de jaren tachtig bouwkunde studeerde in Delft en al jaren probeert het architectuuronderwijs in China op een hoger plan te brengen.

Vooralsnog lijkt Xiaodong een roepende in de woestijn. Wie uit het raam van zijn werkkamer op de universiteit kijkt, of rijdt over de vijf ringwegen rond Peking, ziet een aaneenschakeling van glimmende kantoortorens en eentonige woonkazernes. Plompverloren lijken ze neergesmeten in de stad, zonder enig begrip voor menselijke maat, duurzaamheid of historisch besef. Als het bestaande niet meer voldoet, wordt er iets nieuws gebouwd, want ’nieuw’ is in China altijd beter dan ’wat er al was’. Haast niemand ziet de waarde in van traditionele wijken en gebouwen. Er zijn nauwelijks protesten tegen de kaalslag, waarbij soms complete stadsdelen worden gesloopt om plaats te maken voor weer een nieuwe golf van hoogbouw. En dat in zo’n hoog tempo dat bewoners soms maar een paar weken de tijd krijgen om andere huisvesting te zoeken.

Afgaand op de reclameborden die snelwegen en bouwputten omzomen, is dit ook de ultieme Chinese droom: wonen in een wolkenkrabber. Je wordt bedolven onder beelden van mensen die met hemelse blikken staren naar glanzende woontorens of dromen van ’wonen in Grassetown, langs de rivier’. Dat laatste klinkt al een stuk idyllischer, maar ook dit is een reclame voor een bouwproject van zo’n grote schaal dat het haast niet te bevatten is voor Nederlandse ogen. De helft van de jaarlijkse wereldproductie aan beton en een derde van die aan staal worden gebruikt voor de bouwexplosie in China, waarbij steeds meer buitenlandse architecten zijn betrokken. In China zelf staat het vak van architect inmiddels in de topdrie van populairste beroepen.

Niet alleen in Peking (15 miljoen inwoners), Shanghai (17 miljoen), Guangzhou (6 miljoen) en andere metropolen rijgen de bouwputten zich aaneen. Tot 2020 zullen er ook nog eens vierhonderd nieuwe steden uit de grond worden gestampt, met elk minimaal één miljoen inwoners. Elke burger een auto en zijn eigen appartement in de moderne metropool, is het overheidsdevies, sinds Deng Xiaoping in 1984 de Chinezen met de slogan To get rich is glorious opriep tot het vrije-marktdenken en het consumentisme.

Architect Qingyun Ma van het bureau MADA s.p.a.m. in Shanghai is het prototype van een architect die niet alleen hard werkt aan een glanzende carrière, maar die ook nog eens goed gekeken heeft naar helden als Rem Koolhaas, die hij zelfs in zijn manier van praten en kleding probeert te imiteren. Eigenlijk heeft hij geen tijd om het clubje Nederlandse journalisten te woord te staan dat ruim een week door China reist om een indruk te krijgen van de hedendaagse architectuur, kunst en beeldcultuur. We moeten eerst maar eens kijken naar de maquettes die zijn uitgestald op de benedenverdieping van zijn kantoor, waar 45 mensen achter een computer zitten. Tekentafels zie je op geen enkel architectenbureau. Wel barst het er van de merkspijkerbroeken en ’snelle’ brillen. Veel architecten en kunstenaars dragen zo’n zwartomrand exemplaar dat een paar jaar geleden hip was in artistiekerig Nederland. De ontwerpen van MADA zien er al even flitsend uit als de architecten die er werken, maar van een duidelijke visie getuigen ze niet. Dat er ook nog mensen moeten leven en werken in die bouwwerken lijkt van ondergeschikt belang, evenals de vraag hoe de gebouwen er over tien jaar uitzien. Als het maar opvalt, lijkt hier het devies. Aan ideeën geen gebrek, bevestigt Qingyun. Hij stroopt de mouw van zijn zwarte jasje op, om te demonstreren hoe hij op de gedachte kwam een gebouw te ontwerpen met een wel heel buitenissige vorm en gevelbekleding. Het spierweefsel van een gebogen arm was de inspiratiebron, vertelt hij. Wat zijn visie is op het toekomstige bouwen in China? Die heeft hij niet, want zijn ideeën wisselen bijna elk jaar. „We hebben zoveel coole ideeën. Hoe meer ideeën, hoe meer geld.’’

De opvattingen van Qingyun zijn volgens professor Xiaodong exemplarisch voor het gros van de bouwmeesters van het moderne China. Maar er is ook een kleine groep architecten die wel kritische vragen stelt over de gevolgen van de bouwwoede voor de stedelijke en sociale structuren. Deze voorhoede van ongeveer driehonderd bureaus, die minder dan één procent van het totaal bouwt, is niet geïnteresseerd in iconen, snel geld maken en het wegpoetsen van de Chinese identiteit. Met hun projecten proberen ze de menselijke maat te behouden en goedkoop en duurzaam te bouwen met bij voorkeur lokale materialen. Ze spelen in hun ontwerpen met typisch Chinese elementen als bamboe of luiken, zonder te vervallen in kitscherige toevoegingen als puntdakjes die moderne wolkenkrabbers een Chinees tintje moeten geven. Ook proberen ze oude gebouwen en stadswijken nieuw leven in te blazen, wat haaks staat op de kaalslagfilosofie van de overheid.

Hun slimme gebruik van ambachtelijkheid en traditionele bouwmaterialen en hun pogingen vast te houden aan de Chinese identiteit vallen in het straatbeeld nog amper op. Maar het is een interessante voorhoede waarvan we de komende jaren meer zullen horen, verwacht Linda Vlassenrood van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). De afgelopen maanden verkende ze deze ’top van de golf van het veranderende China’. De resultaten van deze zoektocht worden deze zomer gepresenteerd in het NAi in Rotterdam, dat ruim veertig projecten laat zien van achttien jonge architecten. Gelijktijdig laten tentoonstellingen in museum Boijmans Van Beuningen en het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam zien hoe de jongste generatie kunstenaars reageert op de nieuwe metropolen en de veranderingen in de samenleving.

Een van de blikvangers in het NAi is het project Qing Song Wai Yuan Garden van Xiaofeng Zhu van Scenic Architecture uit Shanghai. Hij verbouwde in de satellietstad Qingpu, die nu 200.000 inwoners telt maar in 2020 een miljoen mensen moet huisvesten, twee oude fabrieksgebouwen waar gloeilampen werden geproduceerd, tot restaurant en bar. Dat deze gebouwen niet zijn gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw is al opmerkelijk. Dat is te danken, vertelt Xiaofeng, aan de burgemeester van Qingpu, die architect is. Vanaf de snelweg kun je het restaurant goed zien liggen. Uit de verte lijkt het een bamboehuis – maar dan wel met een strakke, eigentijdse vormgeving. Xiaofeng wilde het restaurant een natuurlijke uitstraling geven, omdat dat opvalt langs de snelweg, waar je eerder het zoveelste anonieme wegrestaurant verwacht. Bovendien ligt het restaurant in een landschapspark van 30.000 vierkante meter, dat nog in ontwikkeling is en waarvoor hij ook het plan heeft gemaakt. Het ene fabrieksgebouw omhulde hij met een scherm van houten latten van de reuzenpijnboom. Het andere bekleedde hij met twee soorten donkergrijze baksteen die in Zuidoost-China wordt gebruikt.

Xiaofeng realiseert zich dat zulke simpele toevoegingen nog lang geen gemeengoed zijn in China, waar alles ’nieuwer, groter en hoger’ moet zijn. De architect, die in Harvard studeerde en in New York werkte, keerde een paar jaar geleden terug om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van zijn land. Er werken acht mensen op zijn kantoor, dat de afgelopen twee jaar bij 20 projecten betrokken was. Hij maakt bij voorkeur gebruik van traditionele bouwtechnieken en lokale materialen en is wars van overdadige kleuren en onnodige decoraties.

Een voorbeeld van dat laatste tref je iets verderop aan bij het binnenrijden van Qingpu, waar de architecten van MADA s.p.a.m. een blikvanger moesten ontwerpen in de vorm van een spraakmakend bouwwerk op een eiland in een kunstmatig meer. Het probleem was alleen dat de architecten nog niet wisten wat de functie van dit gebouw zou worden, toen ze vanwege het strakke bouwschema aan de slag moesten. Ze ontwierpen een langgerekt golvend gebouw met begroeide daken, waar je overheen kunt wandelen. Bij gebrek aan een invulling bedachten de architecten zelf maar wat: entertainment, vergaderzalen en ook zou het een trouweiland kunnen worden. Inmiddels heeft het stadsbestuur besloten dat het een bibliotheek moet worden, waarvoor het totaal niet is ontworpen. De architecten zijn nu bezig het plan aan te passen, maar tijdens een rondwandeling door het immense gebouw tekent de mislukking van dit project zich op alle mogelijke manieren af. Zo gaat het vaker in China, waar alles snel moet, vertelt Mu Ann, een van de betrokken architecten van MADA. „Als je wilt bouwen, moet je gewoon beginnen. Later hoor je dan wel of het toch anders moet. Dat is tamelijk frustrerend, maar als architect heb je te doen wat de opdrachtgevers willen. Als die een wijk willen in Duitse stijl met vakwerkhuizen of met een Nederlandse uitstraling met klokgeveltjes, heb je dat te accepteren of je ligt eruit. Architectuur is de vitrine van hún ambities. Daar moet je aan meedoen, anders krijg je in China nooit een project.”

De architecten die zich hiervan distantiëren en zoeken naar alternatieven, die overigens ook niet altijd de beste oplossing bieden, vormen een kleine voorhoede. Wat hun invloed op langere termijn zal zijn en of hun ontwerpen een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van sociale en stedenbouwkundige problemen, is onduidelijk. Veel wordt verwacht van de aanstormende generatie architecten, van wie de meesten in het buitenland hebben gestudeerd. Architect Xiaofeng waagt zich niet aan een voorspelling, maar per saldo is hij optimistisch. „We zijn maar met een kleine voorhoede, maar er komt steeds meer aandacht voor ons werk. De expositie in het Nederlands Architectuurinstituut zie ik als een bijdrage om het debat ook internationaal aan te zwengelen.”

Professor Xiaodong is minder stellig. „We zijn heel erg zoekende. De meeste bouwprojecten ter wereld vinden hier plaats, maar er is veel onzekerheid. De universiteit zou een leidende rol moeten spelen in het debat waar we met de architectuur naar toe moeten. We proberen dat ook, maar de hoogleraren hebben het erg druk. Wel blijf ik de studenten voorhouden dat ze zich niet moeten spiegelen aan architecten als Rem Koolhaas, die bouwen volgens de ideologie van de Chinese machthebbers. Ik vertel hun dat China een arm ontwikkelingsland is dat zuinig moet omgaan met zijn middelen en energiebronnen. Ze moeten vooral leren om de immense problemen in dit land op te lossen. Hoe origineel hun architectuur is, is van ondergeschikt belang. Maar de realiteit is dat architecten vooral voor de machtigen en de middenklasse bouwen. Ze geven niet om de arme mensen.”

Qingyun Ma van MADA s.p.a.m. heeft een eigen variant bedacht om zijn toekomst als architect veilig te stellen. Met zijn bureau bouwt hij alles wat de opdrachtgevers maar van hem vragen en gaat daarmee voor het grote geld. Daarnaast heeft Qingyun een privé-onderneming opgericht. Daarmee heeft hij grond gekocht waarop hij zijn eigen ontwerpen realiseert, waaronder een vakantiehuis. Hij schakelt voor deze projecten lokale vaklui in en gebruikt de plaatselijk beschikbare materialen, wat resulteert in juweeltjes van ingetogen architectuur. Op de tentoonstelling in Rotterdam zijn zowel zijn commerciële als privéprojecten te zien, een wereld van verschil. Voor Qingyun ligt de grootste uitdaging in de commerciële projecten. „Het is niet zo moeilijk om een mooie villa te bouwen naar eigen ontwerp. Ik ben pas een goede architect, als ik binnen de voorschriften en budgetten van een opdrachtgever veranderingen weet door te voeren die de kwaliteit en leefbaarheid ten goede komen.” Volgens Linda Vlassenrood is het commerciële centrum van 150.000 vierkante meter dat ontwierp in de stad Wuxi bij Shanghai daar een goed voorbeeld van. „De opdrachtgever kreeg wat hij vroeg: een grootschalig complex van winkels, woningen, kantoren en amusement, maar de architect is het wel gelukt om investeerders,stadsbestuur en politiek over te halen tot een experiment dat uniek is in China.” De architect bouwde geen icoon, maar ontwierp een stedelijk landschap dat met bruggen en hellingbanen bestaande en nieuwe gebouwen met elkaar verbindt en zich via voetgangersbruggen uitstrekt tot in de omliggende wijken. In een land waar nauwelijks aandacht is voor de openbare ruimte, is dat een opmerkelijke prestatie.

Vlassenrood verwacht dat mensen als Qingyun uiteindelijk meer invloed hebben dan architecten die strikt vasthouden aan hun principes. Die ’gespletenheid’, wrikt dat niet? Qingyun Ma: „Het is de situatie waarin architecten in China hun werk moeten doen, als ze willen bouwen. En dat wil ik.”

mailIcon print |