*

 

Weerloze burgers, neergemaaid

door Co Welgraven − 10/06/06, 00:00

De achterdocht van twee verslaggevers ontrafelde het bloedbad van Haditha: als er echt een bom zou zijn ontploft, waarom lagen dan overal in het huis kogelhulzen? De geboorte van een schandaal.

Op zaterdag 19 november vorig jaar, ’s ochtends om kwart over zeven, hoorde de Iraakse journalist Taher Thabet voor zijn huis aan de Haj al-Sinnai-weg in de West-Iraakse stad Haditha een explosie. Hij rende naar buiten en overzag het slagveld. Een bom had een pantservoertuig van het Amerikaanse leger geraakt; de chauffeur, de twintigjarige korporaal Miguel Terrazas, was gedood. Uit de drie andere Humvees van het konvooi sprongen Amerikaanse mariniers. Ze hielden een voorbijrijdende taxi aan en maanden de passagiers buiten op de grond te gaan liggen. Maar die renden weg. De mariniers schoten hen neer.

Vervolgens gingen de Amerikanen een huis binnen. „Ik hoorde geweervuur, explosies en gegil’’, aldus Thabet in een interview met het Amerikaanse weekblad Time. „Toen kwamen ze naar buiten en gingen een ander huis binnen. Ik kon alleen maar toekijken.’’

De volgende dag ging de journalist én mensenrechtenactivist met een videocamera de huizen in, en het plaatselijke mortuarium waar de lichamen van mannen, vrouwen en kinderen lagen. Ze vertoonden kogelgaten en geen verwondingen van granaatscherven – een gegeven dat een belangrijke rol zou gaan spelen. „Ik wist eigenlijk niet wat ik aan het opnemen was. Ik voelde gewoon dat ik alles moest opnemen wat ik zag.’’

Tim McGirk, verslaggever van Time en bezig met een onderzoek naar de omstandigheden waaronder Iraakse burgers sinds de inval in 2003 door Amerikaans vuur zijn gedood, kwam in contact met collega Taher Thabet, bekeek diens video en raakte achterdochtig. Want hij zag dat de slachtoffers in Amerikaanse lijkenzakken lagen en dat er in de huizen overal lege hulzen lagen. McGirk kreeg van het hoofdkwartier van de Amerikaanse mariniers in Irak de officiële lezing: bij het incident waren 24 mensen om het leven gekomen; niet alleen de korporaal was gedood door de zogeheten roadside bomb (een bom langs de kant van de weg die via een tijdmechanisme of op afstand tot ontploffing wordt gebracht), maar ook vijftien Iraakse burgers. Na de explosie was het tot een schotenwisseling gekomen tussen de mariniers en Iraakse opstandelingen die zich in de huizen aan weerszijden van de weg hadden verschanst. Daarbij waren acht rebellen gedood.

De lezing klopte niet met de kogelwonden die McGirk op de video had gezien. En vreemd was ook dat blijkens de beelden sommige van de slachtoffers – vrouwen, kinderen, een oude man in een rolstoel – hun pyjama aanhadden. Hoe konden ze dan op straat zijn geweest?

De Time-verslaggever sprak met de nabestaanden, met de burgemeester van Haditha, met de lijkschouwer en met advocaten. Hij hoorde dat het Amerikaanse leger de familie van sommige slachtoffers een bedrag had betaald, oplopend tot 2500 dollar. Was dat zwijggeld?

McGirk legde zijn bevindingen voor aan de woordvoerder van het VS-leger in Bagdad. Die moest na een paar weken toegeven dat de eerdere lezing niet klopte. De Iraakse burgers waren niet door een bom gedood, maar door geweervuur, van Amerikaanse mariniers. Dat was echter niet opzettelijk gebeurd, maar het gevolg van collateral damage (letterlijk: bijkomende schade), ontstaan bij de schotenwisseling met de opstandelingen. Er zou een strafrechtelijk onderzoek komen, aldus de zegsman. Pas toen besloot Time het verhaal te publiceren; eerst op de website, eind maart in de gedrukte editie.

Het schandaal van Haditha was geboren, een schandaal dat volgens een Democratisch Congreslid in Washington erger is dan dat van de Aboe Ghraib-gevangenis en dat herinneringen oproept aan het bloedbad in het Vietnamese gehucht My Lai eind jaren zestig (zie kader).

Inmiddels heeft de regering in Washington twee onderzoeken gelast: zijn er inderdaad onschuldige en ongewapende burgers doodgeschoten in Haditha, en heeft de legerleiding vervolgens geprobeerd de zaak in de doofpot te stoppen? In de Verenigde Staten wordt er ernstig rekening mee gehouden dat het antwoord op beide vragen ja is.

De gebeurtenissen in Haditha tekenen volgens sommigen (en niet alleen tegenstanders van de oorlog in Irak) het failliet van het Amerikaanse optreden in dat land. De Verenigde Staten wilden met de inval en de afzetting van Saddam Hoessein de dictatuur verdrijven en een democratie instellen. Maar daarbij maken ze kennelijk gebruik van methoden die je slechts van een wrede dictatuur verwacht: het zonder pardon neermaaien van weerloze burgers. Daar is geen enkel excuus voor.

Verklaringen zijn er genoeg. De 133.000 Amerikaanse militairen in Irak zijn zo gespannen als een veer. De dood staart hen voortdurend in de ogen. Elke dag sneuvelen er collega’s – het dodental staat inmiddels op 2.500. Er is een veelvoud van gewonden, velen van hen zijn voor het leven verminkt. Overal kunnen bomaanslagen gebeuren – bij huiszoekingen, wegversperringen, in restaurants of winkels, waar dan ook.

De soldaten weten dat de Irakezen in meerderheid hun niet welgezind zijn. Met hen communiceren is er niet bij, want ze spreken de taal niet. Ze kennen de zeden en gewoontes van het land evenmin. En ze zijn over het algemeen ook niet getraind in het bestrijden van een guerrilla – daar heeft de situatie in Irak inmiddels toch alle trekken van. Bovendien: de militairen zijn vrijwilligers die grof gezegd laag op de sociale ladder staan; lager dan dienstplichtigen die per definitie uit alle segmenten van de samenleving komen.

„De haviken van Bush negeerden rapporten van veiligheidsdiensten die een opstand en een burgeroorlog voorspelden’’, schreef columnist Maureen Dowd deze week in de International Herald Tribune. Die haviken gingen in 2003 uit van een snelle operatie: Irak binnenvallen, Saddam weg, nieuwe regering, wegwezen. Maar dat is al weer ruim drie jaar geleden en de soldaten zijn er nog steeds.

Tot die haviken behoort minister Donald Rumsfeld van defensie die onder steeds grotere druk komt te staan om af te treden. Critici zeggen dat de bewindsman niet vrijuit gaat. Hij viel in 2003 met veel te weinig militairen Irak binnen. Misschien genoeg om het leger van Saddam te verslaan, maar te weinig om het hele land onder controle te krijgen. En met de gevolgen daarvan hebben soldaten dagelijks te maken.

Toch zouden mariniers wél iets moeten weten van de guerrillatechnieken van hun vijand. Het Amerikaanse marinekorps van in totaal 180.000 man staat in hoog aanzien. De mariniers die op die novemberdag vorig jaar in Haditha rondreden behoren tot een ervaren eenheid, de Kilo Company, die een reputatie heeft van hard optreden. Ze was al betrokken geweest bij zware strijd, bijvoorbeeld twee jaar geleden in en rond de stad Falloedja. Daar was dagen achtereen sprake van man-tot-mangevechten. Als er één eenheid is die weet wat oorlog is, dan de Kilo Company wel.

De gedode chauffeur van de humvee, Miguel Terrazas jr. uit El Paso, Texas, was gehard. Bij een huiszoeking in Falloedja waren hij en z’n maten op een groep slapende kinderen gestuit. In de hoek van de kamer stond een Irakees die geen bevelen wilde opvolgen. Terrazas schoot hem neer. Het bleek dat de man bezig was vier mortiergranaten te laten ontploffen. Bij een andere gelegenheid schoot Miguel een opstandeling dood die een jongen als schild gebruikte. Hij was geliefd bij de manschappen. Zijn dood kan ertoe bijgedragen hebben dat de mariniers in het konvooi buiten zinnen raakten. Het getuigenis van korporaal James Crossan, die gewond raakte bij de bomaanslag, bevestigt dat. Sprekend over zijn kameraden zegt hij: ,,Ik denk dat ze verblind waren door haat, ze hadden zichzelf niet meer in de hand.’’

De gevolgen van ’Haditha’ kunnen immens zijn. Het nieuws over het bloedbad – in alle uithoeken van de wereld én van Irak verspreid – verdiept de vijandschap die veel Irakezen jegens de Amerikanen koesteren. De vele milities die overal in het land dood en verderf zaaien hebben voor hun strijd tegen het bezettingsleger een extra argument gekregen. De regering-Bush komt onder nog sterkere druk te staan om de troepen snel terug te trekken. De inval en oorlog in Irak, toch al hoogst omstreden, komt in een nog kwader daglicht te staan. De reputatie van het Amerikaanse leger krijgt een knauw.

De Iraakse premier Noeri al-Maliki haalde deze week scherp uit naar dat leger. Sommige militairen hebben geen enkel respect voor het Iraakse volk, zei hij. De nieuwe minister-president doelde daarbij niet alleen op Haditha, maar ook op een recent incident waarbij Amerikaanse soldaten twee vrouwen neerschoten die op weg waren naar het ziekenhuis – één van hen was zwanger – en op de onthulling van de BBC dat er in maart in een stad ten noorden van Bagdad elf burgers door Amerikaanse soldaten zijn gedood. Er moeten niet meer van dergelijke incidenten komen, waarschuwde hij, want dan komt de aanwezigheid van de Amerikaanse troepenmacht ter discussie te staan.

Heel stoere taal, want de Iraakse regering zou zich zonder VS-soldaten geen raad weten. Maar de reactie van de premier geeft aan hoe zwaar de gebeurtenissen worden opgenomen.

De vraag is inmiddels bijna niet meer óf de betrokken mariniers bestraft zullen worden, maar hoe zwaar de straf zal uitvallen en tot welke rang hun meerderen vervolgd zullen worden als komt vast te staan dat er pogingen zijn gedaan de schietpartij in de doofpot te stoppen. Ook vanuit de Republikeinen, de partij van president Bush, is aangedrongen op een diepgaand maar ook snel onderzoek. Republikeinse senatoren klagen dat het Pentagon, het ministerie van defensie, traag en laks is in het verstrekken van gegevens. De waarheid moet boven tafel, vinden ze. President Bush heeft inmiddels gezegd dat de schuldigen hun gerechte straf niet zullen ontlopen. Maar hoe zwaar de straf ook, de schade die Haditha heeft aangericht zal er niet minder om worden.

mailIcon print |