Wie regelmatig kennisneemt van wat er in en door de media te berde wordt gebracht, zal niet geschokt zijn uit onderzoek te vernemen dat veel Nederlanders weinig van allochtonen moeten hebben en dat met name de moslims in het verdomhoekje zitten.
Het betreffende onderzoek werd uitgevoerd door het bureau Motivaction, in opdracht van de GPD, de persdienst van de regionale dagbladen. Een steekproef uit de bevolking, ter omvang van 1020 personen, kreeg vragen voorgelegd waaruit afgeleid kan worden hoe men denkt over diverse aspecten van de multiculturele samenleving.
De resultaten mogen er zijn. Tien procent van de ondervraagde Nederlanders noemt zichzelf racistisch en acht blanken superieur aan andere rassen. Een kwart van de ondervraagden staat zeer negatief tegenover allochtonen: ze zijn onverdraagzaam (41 procent), lui (24 procent) en niet eerlijk (36 procent). Op de vraag ’bij welke bevolkingsgroep de Nederlander zich het minst op zijn gemak voelt’, ging een tiental groepen voor de bijl, te beginnen met Marokkanen (49 procent) en te eindigen bij de Chinezen en de Duitsers, die voor respectievelijk 12 en 8 procent van onze landgenoten ongemakkelijk gezelschap betekenen.
Het onderzoek, waaraan bij mijn weten tot nog toe alleen de Volkskrant enigszins uitvoerig aandacht besteedde, is van belang, omdat het voor het eerst kwantitatieve gegevens verstrekt over opvattingen die doorgaans alleen op verjaarsfeestjes en aan de borreltafel de ronde doen.
Overigens is daarmee meteen de betrekkelijkheid van de uitkomsten gegeven. De meeste mensen kletsen maar een eind weg en dat verandert niet als hun door opiniemeters vragen worden voorgelegd. Zo is de kernvraag, bij welke groepen vreemdelingen men zich het minst op zijn gemak voelt, in feite niet te beantwoorden omdat de gemiddelde Nederlander nu eenmaal geen omgang heeft met Marokkanen, Antillianen, Turken, Afrikanen, Polen, Surinamers, Fransen, Amerikanen, Chinezen en Duitsers, en dan nog op een zo indringende manier dat hij ze in volgorde kan zetten van een meer of minder aangename aanwezigheid.
Met andere woorden: dergelijke opiniemetingen behoren tot de meest povere vormen van massa-onderzoek en komen niet verder dan het verzamelen en optellen van stereotypen die, soms zeer tijdelijk en onder indruk van een schokkend incident, gekoesterd worden door mensen die van toeten noch blazen weten.
Men kan zich zelfs afvragen of het meten en publiceren van dergelijke stereotypen wel verstandig is. Het kan bijdragen tot stemmingmakerij omdat degenen die zo ongegeneerd met hun opvatting voor de dag kwamen, tot hun geruststelling kunnen constateren dat ze ’niet gek’ zijn omdat honderdduizenden hun mening delen. De massaliteit lijkt de dwaasheid te rechtvaardigen.
Ik ben geneigd dat risico op de koop toe te nemen, omdat er voordelen tegenover staan. Allereerst is het goed te weten hoe onze landgenoten over deze belangrijke maatschappelijke kwestie denken. ’Denken’ is dan misschien een te groot woord, maar ook bizarre meningen worden feiten indien ze gevolgen hebben. Zelfs iemand die zegt zeker te weten dat zijn buurman hem wil vermoorden, hoewel die buurman met twee lamme benen in een rolstoel zit en nooit zo’n voornemen heeft gekoesterd – zelfs zo iemand moet serieus worden genomen omdat er door zijn waanidee van fatsoenlijke burenrelaties geen sprake kan zijn.
In de tweede plaats geeft de schijnexactheid van de antwoorden wel degelijk uitdrukking aan een algemeen gevoel van onbehagen, dat niet uit de lucht komt vallen. Van de grote Duitse satiricus Kurt Tucholsky is het woord: ’Das Volk versteht das meiste falsch, aber es fühlt das meiste richtig’. De meeste mensen weten niet hoe het komt, maar ze hebben het gevoel dat er iets niet deugt. Vooral om die reden is zo’n onderzoek nuttig. Het heeft een politieke signaalfunctie omdat het laat zien dat de publieke meningsvorming de laatste tijd in een verkeerd spoor is terechtgekomen.
Iedereen herinnert zich nog de tijd dat uitingen van spontane ergernis over de toestroom van buitenlanders niet getolereerd werden. Ook eerlijke en gefundeerde verontrusting werd afgekeurd, onderdrukt zelfs, desnoods met behulp van een overijverige justitie.
Met en door Pim Fortuyn ging het deksel van de doofpot en momenteel mag iedereen zeggen wat hij denkt, ook als hij niet nadenkt. Vrijheid van meningsuiting heet het nieuwe geloofsartikel, vooral aangehaald waar het dienst kan doen als een vrijbrief voor de meest grove aanvallen op anderen.
Zo zijn we van het ene uiterste in het andere beland, niet als een tijdelijke, bevrijdende reactie op benauwende politieke correctheid, maar als de installatie van een nieuwe publieke moraal die geen beschaving meer kent, geen bezonnenheid en al helemaal geen begrip voor de fatale gevolgen van mannetjesputterige exclamaties.
Een van die gevolgen zien we weerspiegeld in het onderzoek van Motivaction: de intolerantie die een kleine groep van politici en publicisten jarenlang heeft gecolporteerd, heeft massaal weerklank gevonden. Natuurlijk is de directe relatie tussen het een en het ander niet aan te tonen, maar het zou wonderlijk zijn – en betreurenswaardig voor de betrokkenen – indien hun xenofobisch offensief geen effect zou hebben gesorteerd. Daarom: ere wie ere toekomt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.