Een nieuwe lichting gediplomeerde journalisten dient zich aan. Zij ronden hun studie af op een van de vele opleidingen die de weg naar ons vak moeten bereiden. De banen liggen niet voor het oprapen maar zij zijn vast flexibel, inventief en optimistisch genoeg hun weg te vinden. Ik ben benieuwd hoe zij in een veranderende mediawereld de journalistiek gaan verbouwen.
Veel studenten moeten voor hun afstuderen een visie op de journalistiek schrijven. Je merkt het aan de mails wanneer de deadline in zicht komt. De meest uiteenlopende stellingen worden je voorgelegd met het verzoek daar zo snel mogelijk op te reageren; zijn journalisten anders gaan schrijven sinds de krant op klein formaat is overgestapt; hoe gaat de krant om met de privacy van leden van de koninklijke familie; wat is de waarde van bijlagen; hoeveel belang hecht u aan onderzoeksjournalistiek? De vragen zijn snel gesteld, de antwoorden kosten tijd.
En dat geldt vooral voor de vragen die iets zeggen over de visie van de jonge journalisten zelf. Zo poneerde een studente uit Utrecht de stelling dat ’dagbladen zich meer op achtergrondverhalen moeten richten om het hoofd boven water te kunnen houden’.
Met blote feiten redt de krant het allang niet meer. Maar dat betekent volgens mij niet dat dagbladen die feiten niet meer moeten brengen. De meeste lezers weten maandagmorgen wel hoe het Nederlands elftal het in de eerste wedstrijd heeft gedaan: ze hebben zelf gekeken, geluisterd of konden hun conclusies trekken op basis van gejuich of pijnlijke stilte bij de buren. Maar toch moet de uitslag gewoon in de krant staan ter bevestiging, zwart-op-wit, van het nieuws.
Natuurlijk is dat niet genoeg: lezers verwachten een uitgebreid verslag, analyse, sfeer, citaten, foto’s en een vooruitblik op de volgende wedstrijd. Het gaat er vooral om wat de krant met het nieuws doet, maar het zou een fout zijn om ervan uit te gaan dat iedereen het nieuws al weet en ook dat het niet meer nodig is om zelf feiten vast te stellen, zodat de handen vrij blijven voor achtergronden. De betekenis van een pluriforme pers zit niet alleen in de verscheidenheid van meningen maar ook van nieuwsgaring. Hoe meer journalisten feiten proberen vast te stellen, des te meer kans is er op zinnige informatie. De uitslag van een wedstrijd mag een onbetwistbaar feit zijn, maar de vraag hoe die tot stand is gekomen, valt feitelijk lastiger te beantwoorden.
Een tweede stelling van een student in de avondopleiding van Utrecht leidde tot een telefoongesprek over de vraag hoe ’burgerjournalistiek’ de kloof tussen allochtonen en autochtonen kan verkleinen. Het hangt een beetje van je definitie af, maar burgerjournalistiek veronderstelt dat de krant niet langer slechts een medium is maar zich actief namens de burger inspant ten behoeve van de samenleving. De krant beschrijft niet langer een probleem maar stelt zich ten doel het te helpen oplossen.
Ik kan me daar in de verte wel iets bij voorstellen, maar ik denk dat je de beste dienst bewijst door zo goed mogelijk je werk te doen als medium: berichten wat er gaande is opdat burgers en hun vertegenwoordigers daar hun voordeel mee kunnen doen. Natuurlijk kan verkeerde, slordige, tendentieuze of vergoelijkende berichtgeving de breedte van de kloof beïnvloeden, maar dan vooral tussen de lezer en de krant, omdat de eerste zich niet kan herkennen in de werkelijkheid die de tweede hem voorspiegelt.
En natuurlijk betekent het niet dat een krant onaandoenlijk is. Maar dat is zij vooral in de wijze waarop ze het vak uitoefent: onafhankelijk, betrouwbaar, integer, betrokken, kritisch (wat niet per se negatief is). Ik hoop dat de nieuwe garde journalisten vooral die oude ideeën wil versterken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.