Martin Amis vertelt hoe zijn vader Kingsley op een dag in zichzelf lachend het huis binnenkwam. Het was een warme zomerdag en op weg naar de brievenbus op de hoek, passeerde Kingsley een grote herdershond die in het zonnetje op de motorkap van een auto lag te suffen. Hij keek even naar de hond. Die keek terug met in zijn blik de woorden: „Had je wat?”
Amis vervolgde zijn weg en kwam, brief gepost, even later weer langs. Opnieuw richtte de hond zijn kop op, nu nog geprikkelder, maar Amis onthield zich van commentaar en vervolgde zijn weg. Een stukje verder, bij zijn voordeur aangekomen, wierp hij, alvorens naar binnen te stappen, nog een laatste blik op de hond, die hem lag na te staren en die nu eindelijk stem gaf aan zijn verontwaardiging door in onvervalst Engels „Fuck off!” te blaffen.
Het voorval zegt misschien meer over Amis’ gevoel voor humor dan over het innerlijk beleven van die hond, maar dát die hond innerlijk iets beleeft, zal niemand willen ontkennen.
Nou ja, er zijn wel ontkenners, maar die zijn daar gauw uit te praten. Dat je nooit echt weet wat er door zo’n hond heen gaat, ’want hij kan het je niet vertellen’, lijkt op het eerste gezicht overtuigend. Maar deze onzekerheid geldt ook voor uw medemensen. Wie op een spijker trapt slaakt een kreet, maar die kreet is niet bedoeld als een beschrijving van iets innerlijks. En als alles goed met u is, dan denkt u niet bij zo’n kreet van pijn: ja, ze schreeuwt nou wel, maar toch vraag ik me af wat er echt in haar omgaat.
U hebt misschien wel eens per ongeluk een hond op zijn staart getrapt. Toen dacht u toch ook niet bij de pijnkreet van het dier: je vraagt je af wat er in hem omgaat?
Een innerlijk beleven behoeft een uiterlijk criterium. Als je deze eis opgeeft, dan kan een stoel trouwplannen hebben. Dit wil niet zeggen dat je altijd precies weet wat er in een ander omgaat. De omstandigheid dat je dat soms niet weet, ontstaat bij de gratie van het gegeven dat je het zo dikwijls wel weet.
Wie zich bij een banaan probeert af te vragen: ’Wat zou hij willen?’, die heeft lang gissen. Want hoe zou een banaan kunnen aangeven wat hij wil? Nou, hij hoeft helemaal niks aan te geven, want achter dat gele masker kan hij toch gewoon lekker gaan zitten willen zonder dat dat naar buiten toe blijkt?
Nu zijn we terug bij de mogelijke huwelijksplannen van de stoel. Vergelijk ’Wat wil de banaan?’ met de vraag wat uw hond wil als hij kwispelend met de riem komt aansjouwen.
Vorige week werd ik geconfronteerd met een soort antwoord op de vraag ’Wat wil de banaan?’. Collega S., neuroanatoom, toonde mij een reproductie van Rembrandts ’Anatomische les van Dr. Deyman’ uit 1656. Het is dat schilderij waarin je de dode op zijn voetzolen kijkt. Er ligt een witte doek over zijn schaamdelen en je kijkt recht in de lege buikholte tegen het middenrif aan. De huid hangt aan weerszijden af langs het hoofd en je ziet het zachtrood gekleurde brein. Het gelaat is als in een sluimer afgebeeld, waarbij het niet duidelijk is of de ogen wel gesloten zijn. Door brandschade in 1723 zien we van Deyman alleen de handen en zijn bovenlichaam. Collega S. lichtte de handeling van Deyman toe: hij tilt de falx cerebri op, een vlies tussen de twee hersenhelften, en door deze manoeuvre komt de epifyse boven de hersenschors uit. De epifyse is een knobbeltje in de hersenen dat Descartes beschreef als de plek waar de ziel zich bevond dan wel waar de geest het lichaam binnenstroomde.
We gaan nu even voorbij aan de paradox dat de ziel hier een plaats kreeg toegewezen, want het wordt nog paradoxaler. In het gebaar van Deyman werd een allerlaatste pijniging aan deze ontlede Joris Fonteyn voltrokken: zijn ziel moest ten afscheid een blik werpen op zijn jammerlijk uiteengeplukte lijf.
Het vreemde is allereerst de diepgravende grondigheid waarmee men toen een gruweldaad beging. Of meende te begaan, want Descartes’ idee over de ziel en wat hij hoopte of vermoedde rond de epifyse, is nauwelijks terug te vinden in deze bizarre travestie van een ontzet rondblikkend stukje brein.
Maar wat S. over het gebaar van Deyman vertelde impliceert een terzijde schuiven van de bewering dat een innerlijk proces een uiterlijk kenmerk moet hebben. Er is geen enkele aanwijzing dat een menselijk kadaver nog iets meemaakt. Een mensenlijk is qua geestelijk leven als een banaan. Maar voor de dode Joris werd een uitzondering gemaakt. Tenminste, dat hoop je dan maar, want als alle epifyses kunnen ’zien’ als die van Joris, dan is de akelige vraag wat de andere epifyses ’zien’ na de teraardebestelling.
Niks natuurlijk. De epifyse kan niet zien. Niet omdat het te donker is ofzo, maar omdat ’zien’ begripsmatig onmogelijk is bij epifyses, evenals autorijles. Dat doen epifyses niet. Niet omdat ze er geen tijd voor hebben, of geen geld, of te korte armpjes.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.