*

 

Beter naar Congo dan Afghanistan: dat is te simpel

door Dick Leurdijk − 02/02/06, 00:00

Onder andere D66 vindt het nuttiger soldaten naar Congo te sturen dan naar Afghanistan. Maar zij gaan te makkelijk aan de risico's in Afrika voorbij.

Tijdens een recent gastcollege van D66-voorman Boris Dittrich op de Universiteit van Amsterdam vergeleek hij de sfeer rond de voorgenomen uitzending van Nederlandse militairen naar Uruzgan met de goede bedoelingen rond de uitzending van Dutchbat naar Srebrenica. 'Ook toen was er grote druk vanuit de internationale gemeenschap, de media en de bevolking.' In plaats van Afghanistan, zei Dittrich, zou het Afrikaanse Congo een veel beter doel zijn om de opbouwende capaciteiten van de krijgsmacht in te zetten.

Om te beginnen waren de omstandigheden bij het besluit rond Srebrenica compleet anders. Hij gaat er ook aan voorbij dat 'wij' al volop betrokken zijn bij 'een oorlog' in Afghanistan, namelijk door operatie Enduring Freedom. Met een beroep op ons recht op zelfverdediging heeft Nederland, op speciaal verzoek van de Verenigde Staten, medio vorig jaar 260 'special forces' ingezet.

Waar haalt Dittrich daarnaast de wijsheid vandaan dat in plaats van Afghanistan Congo een veel beter doel zou zijn? Een uitzending naar Congo betekent betrokken raken bij een conflict dat onlangs nog in het prestigieuze Britse tijdschrift The Lancet als de meest dodelijke humanitaire crisis van de afgelopen zestig jaar werd omschreven, met meer dan vier miljoen slachtoffers. Vorige week nog kwamen er acht Guatemalteekse VN-militairen om het leven.

Het gaat in Congo om de ontplooiing van een VN-missie met een 'robuust peacekeeping' mandaat, waarbij de blauwhelmen, anders dan bij traditionele 'peacekeeping' operaties, nadrukkelijk de bevoegdheid hebben zwaarbewapend en met geweld op te treden.

Deze doctrine is ontwikkeld als reactie op het optreden van de VN-missies, in de jaren negentig, bij de genocides in voormalig Joegoslavië (Srebrenica) en Rwanda. De tijd van goede bedoelingen bij 'peacekeeping', zo schreef de commissie-Brahimi in de zomer van 2000, is voorbij. De VN moesten voortaan worden afgerekend op hun geloofwaardigheid: 'goede bedoelingen mogen niet in de plaats komen van het vermogen om op een geloofwaardige manier geweld te kunnen inzetten', aldus het rapport. Daartoe deed de commissie een reeks van aanbevelingen, toegespitst op de formulering die veel meer ruimte bood voor het gebruik van geweld. Het rapport voegde hier in een adem aan toe dat troepenleverende landen bij dit soort missies bereid moesten zijn het risico van slachtoffers onder de eigen militairen te aanvaarden. Inmiddels hebben de VN de afgelopen jaren bij conflicten op het Afrikaanse continent (Sierra Leone, Burundi, Ivoorkust, Soedan, Liberia en Congo), maar ook op Haïti bijvoorbeeld, ervaring opgedaan met de toepassing van de nieuwe doctrine - en niet altijd met onverdeeld succes.

Het wordt onvermijdelijk, dat Nederland zich steeds meer en principiëler bezint op de risico's voor de uitgezonden militairen, gelet op de verschillende varianten bij de inzet van Nederlandse militairen bij internationale missies in de afgelopen jaren. Er zijn verschillen. Bij de inzet van Nederlandse militairen bij klassieke 'peacekeeping' operaties in VN-verband wordt afgezien van het gebruik van geweld.

Nederlandse militairen kunnen ook worden ingezet bij missies met een robuust peacekeeping mandaat in VN-verband. Dat heeft zich tot nu nog niet voorgedaan. Wel is het besluit genomen om een klein aantal onbewapende waarnemers en politiemensen in te zetten bij de VN-missie in Zuid-Soedan, bij wijze van eerste kennismaking met de toepassing van de nieuwe peacekeeping doctrine.

Nederlandse militairen worden uitgezonden in het kader van multinationale strijdkrachten (MNF's) bij de uitvoering van vredesregelingen, zoals in Bosnie (SFOR), Kosovo (KFOR), Afghanistan (ISAF), en Irak (SFIR), in de periode na de overdracht van de soevereiniteit in juni 2004. Al deze missies hebben de uitdrukkelijke instemming van de VN-Veiligheidsraad, inclusief een autorisatie voor het gebruik van geweld.

Dan is er de inzet van Nederlandse militairen in tijd van bezetting. Dit betrof de bijdrage aan de bezettingsmacht in Irak (SFIR) in de tijd dat het land formeel was bezet. Ook deze missie had de instemming van de Veiligheidsraad, compleet met de bevoegdheid om geweld te gebruiken.

Tot slot is er de inzet van Nederlandse militairen 'in tijd van oorlog', zoals het kabinet dat noemt, als onderdeel van de strijd tegen het internationaal terrorisme op het grondgebied van Afghanistan. Na de eerdere inzet van luchtmacht en marine, besloot ons land vorig jaar tot de inzet van 'special forces' binnen het kader van operatie Enduring Freedom, op basis van 'bevoegdheden die voortvloeien uit het oorlogsrecht'.

De conclusie moet zijn dat slechts in één geval, de inzet van onbewapende waarnemers en de ontplooiing van grondtroepen bij klassieke peacekeeping operaties, het gebruik van geweld niet of nauwelijks aan de orde is. Voor alle andere gevallen geldt dat de bevoegdheid om geweld te gebruiken, zoals opgesloten in het mandaat van de missies, met zich meebrengt dat Nederland bereid moet zijn het risico van slachtoffers onder de eigen militairen te aanvaarden. Een simpele verwijzing naar Congo als een beter alternatief voor deelname aan ISAF III gaat veel te makkelijk voorbij aan de risico's die er ook bij deelname aan dit soort missies zijn. Ons land doet er goed aan zich op dit punt niet te isoleren van zijn bondgenoten.

mailIcon print |