De lokale partijen zijn een groot succes, maar het moeten er niet te veel worden. Dat maakt het besturen van gemeenten lastig. Samenwerken is beter, ook om radicalere oplossingen als een kiesdrempel te voorkomen.
Onderzoek door het dagblad Trouw heeft laten zien dat het bij de komende lokale verkiezingen op 7 maart barst van de nieuwe lokale politieke partijen. Vandaag houdt hun overkoepelende organisatie, de landelijke vereniging van plaatselijke politieke groeperingen, in Dronten een congres.
Sinds de raadsverkiezingen van 1990 maken lokale politieke partijen een opmerkelijke groei door. De gevestigde landelijke politieke partijen reageerden hierop aanvankelijk door lokale partijen te negeren, te diskwalificeren en te ridiculiseren. Het woord 'demoniseren' bestond toen nog niet. Lokale partijen zouden de benodigde professionaliteit missen, cliëntelistisch met groepsbelangen omgaan en populistisch inspelen op 'onderbuikgevoelens'. Voor de kiezer bleek dit negatieve oordeel eerder een aanbeveling: lokale politieke partijen zijn in de Nederlandse gemeentepolitiek momenteel de grootste politieke stroming, groter dan het CDA, dat altijd bovenaan stond.
Veel politieke nieuwkomers zullen het niet redden op 7 maart. Zeker zoveel zullen er wél in slagen een of twee zetels in de lokale parlementen te veroveren. De politieke versplintering van gemeenteraden zal naar alle waarschijnlijkheid dus nog verder toenemen.
De ongebreidelde opkomst van lokale partijen is niet zonder problemen. Dat begint al bij de college-onderhandelingen. Er zullen gemiddeld genomen relatief veel partijen nodig zijn om een werkbare meerderheid als politieke basis onder een nieuw college te formeren. De onderhandelingen zullen hierdoor geen sinecure zijn. En het resultaat is vaak een college dat zo breed is dat de politieke haarscheurtjes al zichtbaar zijn bij het zetten van de handtekeningen onder het college-akkoord.
Daarbij komt dat het voor zulke broze colleges steeds lastiger is om in de raad minimale meerderheden tot stand te brengen. Er hoeft vaak maar één collegepartij te zwalken en de besluitvorming valt stil.
Voor gemeenteraden wordt het praktisch welhaast ondoenlijk om op cruciale momenten een vuist te maken tegenover het college. De verdergaande versplintering zal in elk geval ook de kwaliteit van het raadsdebat niet ten goede komen. De eindeloze rij fracties die allemaal het woord willen doen over verkeersplan X of cultuurnota Y, levert meestal een oeverloze discussie op die niemand meer kan boeien. Om te beginnen de kiezer niet. Ook de herkenbaarheid van de raad naar buiten heeft zo te lijden onder een al te grote politieke diversiteit van de raad. Op de lange duur kan het imago van de (lokale) politiek nog verder beschadigd raken.
In een democratie zoals de onze is het een groot goed om alles wat wortel schiet niet te bestrijden maar een kans te geven, om het in een democratisch debat tot wasdom te laten komen. Dat neemt niet weg dat partijen van min of meer vergelijkbare signatuur meer dan nu het geval is hun krachten bij lokale verkiezingen zouden kunnen bundelen. De kiezer ziet de verschillen tussen de meeste politieke partijen toch al niet en het zijn in de praktijk veeleer ego's dan inhoud die zo'n krachtenbundeling in de weg staan.
Een andere en wat radicalere interventie is de invoering van een kiesdrempel, waarbij een partij een minimum-percentage stemmers moet hebben gehaald om voor een raadszetel in aanmerking te komen. De lat komt dan wat hoger te liggen en dat zou marginale initiatieven buiten de deur houden. Dat geldt trouwens niet alleen voor nieuwe lokale initiatieven, maar ook voor lokale afdelingen van landelijke partijen die in tal van gemeenteraden al jarenlang een zieltogend bestaan leiden met één krap zittende zetel.
Democratische diversiteit is inderdaad een groot goed. Maar je kunt het ook overdrijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.