*

 

Socrates in Hillegom

Peter Henk Steenhuis − 02/02/06, 00:00

Na 2500 jaar is de Griekse filosoof Socrates terug. Trouw vroeg hem weer de markt op te gaan. Om daar te leren wat waarheid is, vriendschap, trouw, spijt, of, zoals vandaag in Hillegom, wat haat is.

De markt in Hillegom werd aan de ene kant beheerst door een enorme supermarkt, aan de andere kant omzoomd door een rijtje jaren-dertig-huizen met karakteristieke rode dakpannen. Het was waterkoud. Toen ik opgewarmd was in het cafetaria, liep ik de markt op.

Hillegommers moesten een schrijvend volk zijn, want achter een grote kraam met kaarten stonden drie verkopers. De meeste kaarten waren bedrukt: beterschap, gezondheid, en geluk met die wolk van een baby.

“U verkoopt geen kaarten met een haatdragende boodschap?“

“Natuurlijk niet“, zei Ron (45), “Die wil niemand hebben.“

“Waarom niet?“

“Haat is toch alleen maar ellende. En over ellende willen mensen niet lezen.“

“De kranten staan vol met ellende“, zei ik. “Willen ze dat niet lezen?“

“Wel in de krant maar niet op een kaart.“

Dat was vreemd: wat zou haat dan precies zijn?

Ron: “Haat is het tegendeel van liefde. Of haat en liefde liggen dicht bij elkaar.“

“Dat is wel wat anders.“

“Zoiets leerden we op school“, zei hij. “Maar vraag het hem, hij is de baas.“

Een oudere heer rechtte zijn rug. “Wat moet ik weten?“

“We proberen te achterhalen wat haat is“, legde ik uit.

De man kwam naar me toe lopen. “Haat“, zei Ger (57), “wat is haat?“

Om de zaak iets te vergemakkelijken, vroeg ik: “Haat u wel eens mensen?“

“Vervelende klanten“, zei Ron, “die altijd willen afdingen.“

Gelach.

“U lacht“, zei ik. “Een vervelende klant kan kennelijk geen haat zaaien.“

“Heel lang geleden heb ik wel eens een koopman gehaat“, zei Ger. “Omdat hij mijn plaats had ingenomen. 'Ja', zei ik, 'u kunt daar niet zomaar gaan staan'. 'Dan moet u maar eerder komen', zei die man. 'Als u nieuw bent, moet u dat melden aan de marktmeester', zei ik. 'Die is ziek', beweerde die man. En er zou ook geen vervanger zijn. Ja ja. Hij had zijn kledingrekken al op mijn plekje neergezet. Toen ik die zelf weer ging weghalen, haalde hij een bijl uit de auto. Ik ben geen vechtersbaas. 'Als je het zo wilt, dan ga je er maar staan'. Die dag heb ik rust genomen. Ben lekker naar de sauna geweest.“

“Kunt u vertellen wat u dan voelde, daar in die sauna?“

“Zal ik eens met een bijl op u afkomen?“

Opnieuw gelach. Toch had de vraag de mannen te pakken.

Ger: “Je haat mensen die jarenlang verschrikkelijke dingen doen. De Amsterdamse crimineel Willem Holleeder, die ken ik nog van vroeger uit de Jordaan. Of de moordenaar van Theo van Gogh, die haat ik. Als ik hem op tv zie, ja, dan voel ik haat. Van Gogh kende ik ook goed.“

“En uw vrouw, haat u die wel eens?“

“Zeker wel“, zei Ron, die een tafel verderop een klant drie pakken kaarten verkocht. “Als ze de piepers laat aanbranden.“

De mannen lachten nu nog harder.

“U zou uw vrouw nooit haten?“, vroeg ik aan Ger.

Ron antwoordde: “Als ze er met de buurman vandoor is, dan ga ik haar wel haten.“

“Wat voelt u dan?“

“Een instinct. Dan ben ik hartstikke jaloers. Jaloezie ligt misschien nog wel dichter bij haat dan liefde.“

Ger stond te zwijgen.

“Wat doe je dan met die haat?“

Ron keek verbaasd. “Niks. Onderdrukken. Een normaal mens kan zijn haat onderdrukken. Maar de gevangenis zit vol met haatdragende mensen.“

“Ik heb het zelf meegemaakt“, zei Ger ineens. “Een scheiding, ze ging er met de buurman vandoor.“

Ron sloeg zijn handen ineen. “Daar ga je al.“

“Ik was zo verliefd“, zei Ger. “Maar die verliefdheid sloeg om in haat. Want ik wilde haar niet delen. Daarom ben ik gescheiden. Omdat ik een eigen huis had, moest ik herhaaldelijk voor het gerecht verschijnen. Toen ging ik haar steeds meer haten: zij gaat er met mijn buurman vandoor, en nou moet ik boeten.“

“En die buurman, heeft u hem nog wel eens gezien?“

“Die man? Daar heb ik niets mee.“

“Die haat u niet?“

“Waarom zou ik, zij heeft het toch gedaan?“

“U was wel jaloers op hem.“

“Daar heeft u gelijk in.“

“Wat zou dan het verschil zijn tussen jaloezie en haat?“

“Jaloezie gaat over“, zei Ger, “en haat niet.“

“Dus als zij nu over de markt komt aanlopen“

“Zijn jullie bezig met een psychologische test?“ Aan de overkant probeerde een geblondeerde kaasverkoopster vat te krijgen op ons gesprek. Ik legde uit wat ik te weten probeerde te komen. Mevrouw Colenbrander (52) was resoluut. “Alleen domme mensen haten.“

“U kent geen haat?“

Ze verschoof een bord, waarop zachte, belegen komijnekaas werd aangeprezen. “Nee, daar heb je alleen je eigen mee. Ga je je druk maken om een ander.“

“Als uw man er met de buurvrouw vandoor gaat, dan komt er geen haat bij u boven?“

“Dan hebben we samen wat verkeerd gedaan. Anders was het niet gebeurd.“

Ger knikte. “Daar heeft die mevrouw wel gelijk in.“

“Dat gold ook voor u?“

Ger knikte.

mailIcon print |