In tegenstelling tot wat critici stellen, zijn de cijfers over religieus terrorisme heel helder.
Omtrent de cijfers over het religieus geïnspireerd terrorisme in 2004 en 2005, die wij in ons artikel in Letter & Geest van 3 juni gebruikten ter ondersteuning van onze stelling dat de WRR de empirie te veel schuwt, zijn vragen gerezen. Arjen de Groot meent dat er sprake is van ‘gegoochel’, schreef hij 7 juni op Podium, omdat hij a) veronderstelt dat de aanslagen van islamitisch geïnspireerden in de NCTC-database betrekking hebben op verzetsacties tegen Amerikaanse militairen in Irak en Afghanistan; b) meent dat de aanslagen van het Oegandese Verzetsleger van de Heer zouden ontbreken, en c) vermoedt dat vanwege de Russische overdrijving van het terrorisme in Tsjetsjenië, de cijfers zouden zijn vervuild.
De Groot liet na zijn beweringen te verifiëren in de NCTC-database op http://wits.nctc.gov. Dat doen wij daarom hieronder.
Van de 1511 door islamitisch geïnspireerde terroristen gepleegde aanslagen in 2004 en 2005 vonden er 830 plaats in Irak en Afghanistan (4130 doden, 6817 gewonden en 362 gijzelaars). Bij 63 (532 doden, 999 gewonden en 20 gijzelaars) van deze 830 aanslagen vielen ook slachtoffers onder militairen van Irak, Afghanistan of de internationale coalitie. Amerika verloor bij deze aanslagen 9 soldaten; er raakten er 129 gewond. Aangezien het Amerikaanse leger in Irak en Afghanistan in 2004 en 2005 in totaal 1865 doden en 14.416 gewonden (http://icasualties.org/oif/) betreurde, betekent dit dat de NCTC slechts incidenteel acties waarvan Amerikaanse soldaten slachtoffer worden als ‘terrorisme’ kwalificeert. De Groots eerste bewering is daarmee weerlegd.
Ons artikel noemt 48 aanslagen van christelijke extremisten. Deze cijfers omvatten óók de 36 aanslagen van het Oegandese Verzetsleger van de Heer. De Groots tweede bewering is daarmee weerlegd.
Volgens de NCTC-database vonden in Rusland in 2004 en 2005 16 aanslagen door islamitisch geïnspireerden plaats. Slechts één aanslag gebeurde in Tsjetsjenië. De Groots derde bewering is daarmee weerlegd.
Theo van Boven (Podium, 10 juni) vraagt zich af waarom wij de NCTC-database gebruikten en geen andere bronnen, zoals de RAND-database (http://www.tkb.org). De reden hiervoor is dat de NCTC-database, in tegenstelling tot andere bronnen, informatie bevat over de motieven van de daders. Op basis daarvan is het mogelijk een onderscheid te maken tussen het terrorisme dat religieus was geïnspireerd en het terrorisme waaraan andere motieven ten grondslag lagen. Wat de NCTC daarbij precies onder terrorisme verstaat, is hier te vinden: http://wits.nctc.gov/Methodology.do.
Wij zijn ons ervan bewust dat meer dan de helft van de islamitisch geïnspireerde aanslagen plaatsvond in twee landen: Afghanistan en Irak (zie de hierboven genoemde cijfers). Maar omdat we gebruik maakten van cijfers die een onderscheid naar de motieven van de aanslagplegers mogelijk maakten, zagen wij geen reden deze landen buiten de vergelijking te houden. De bovengenoemde aantallen Amerikaanse soldaten die volgens de NCTC in Irak en Afghanistan slachtoffer zijn geworden van religieus geïnspireerd terrorisme, onderstrepen dat de NCTC streng selecteert.
Overigens, ook wanneer we de twee landen buiten beschouwing zouden laten, is er onder het religieus geïnspireerde terrorisme sprake van een oververtegenwoordiging van terrorisme met de islam als inspiratiebron.
De vraag die dit oproept naar het eventuele verband tussen islam en geweld blijft daarmee onverkort van kracht. En dat geldt ook voor de onder meer door deze cijfers ondersteunde kritiek op de WRR die deze vraag niet adresseerde. Van Boven lijkt het hiermee eens te zijn: zijn roep om aandacht voor de context onderstreept dat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.