Befaamd en berucht is de foto van Harry Truman, die na zijn nipte verkiezing tot president van Amerika in 1948 breed grijnzend de eerste editie van de Chicago Daily Tribune omhooghoudt: ’Dewey defeats Truman’. De liberaal Rutte leverde dus geen primeur door tegen de verwachtingen in de strijd om het VVD-aanvoerderschap van Verdonk te winnen. Voor journalisten roept het beeld van de triomfantelijk met de krant zwaaiende Truman nog altijd plaatsvervangende schaamte op. Dit is je lot als je de doodzonde begaat op de feiten vooruit te lopen.
In de strijd Rutte-Verdonk heeft, voorzover ik weet, geen medium de fout van de krant uit Chicago begaan, maar de media tezamen hebben wel de verwachting gewekt dat de minister van vreemdelingenbeleid de strijd zou winnen. Het gevolg was dat vrijwel iedereen zich op het uur U op het verkeerde been gezet voelde, toen de VVD-voorzitter de uitslag bekendmaakte. Dat gevoel is scherp vastgelegd in het ongeloof dat anderhalve tel uit de openvallende mond van Rutte sprak.
Verdonk gaf meteen de opiniepeilers de schuld. Ze was er, zei ze, liever op een andere manier achter gekomen dat hun onderzoeken onbetrouwbaar zijn. Dat verwijt is niet terecht. De fout van haar en vele anderen was dat aan de peilingen onder de VVD-kiezers een voorspellende betekenis werd toegekend omtrent het stemgedrag van de VVD-leden. Om die reden hadden de media terughoudender moeten zijn met het publiceren van de uitkomsten. Zeker in dit geval was hun relevantie een beperkte.
Aan de betrouwbaarheid hoeft niet te worden getwijfeld om in het algemeen de waarde van politieke opinie-onderzoeken te relativeren. In 1986 kwam een dag na de verrassende verkiezingsoverwinning van Ruud Lubbers het toenmalige weekblad De Tijd uit met de kop ’Waarom het CDA de verkiezingen verloor’. Het blad had zich gebaseerd op peilingen twee dagen voor de verkiezingsdag, die inderdaad verlies voor de christen-democraten te zien gaven. Naderhand is gebleken dat de kiezers in de laatste 48 uur alsnog van mening veranderden. Op een achternamiddag vrijblijvend je mening geven is nu eenmaal wat anders dan in het stemhokje een beslissende afweging maken.
De kwestie is dus niet of peilingen al dan niet betrouwbaar zijn, de kwestie is welke betekenis je eraan hecht. ’Nova-politiek’ meldt elke vrijdavond trouw de stand van de ’politieke barometer’, maar deze stand zegt niks over de verkiezingsuitslag volgend jaar mei. Onder het tweede paarse kabinet-Kok leken de peilingen naar de partijvoorkeur nog het meest op het cardiogram van een dode. De uitslag van de verkiezingen in 2002 was echter de meest spectaculaire ooit. Interessant in dit verband was de reactie van premier Kok dat hij ’Nederland niet meer begreep’. Dat geeft aan hoe riskant het voor een leidend politicus is, te veel op peilingen af te gaan.
Op grond van deze ervaringen is het ongerijmd dat hun rol in de politiek zowel als in de media onverminderd groot is gebleven. We zouden toch stilaan wijzer moeten zijn en weten dat deze onderzoeken geen greep op de werkelijkheid geven; sterker nog, van de gemoedsbewegingen in de samenleving een inadequaat beeld overbrengen. De conclusie moet welhaast zijn dat de verleiding van de schijnzekerheid die peilingen bieden sterker is.
Voor de media is het motief vermoedelijk platter: zeker tijdens verkiezingen versterkt opinie-onderzoek de competitie en draagt het dus bij aan spanning en spektakel. Televisiemakers veronderstellen nog altijd dat zij het bij uitstek van die elementen moeten hebben om de aandacht te trekken. Politici gaan in dat misverstand te gemakkelijk mee, waardoor ze niet zozeer de kloof met de burgers verkleinen als wel aan autonomie en gezag verliezen.
Maar het is, ter wille van objectiviteit, ook nodig naar de politieke cultuur te kijken. De socioloog Jacques van Doorn constateerde tien jaar terug in een bundel over de ’Nederlandse politiek in historisch perspectief’, dat in onze gecompliceerde samenleving politiek geen groots en meeslepend avontuur meer kan zijn. Politiek is beleid geworden, schreef hij, en partijen zijn getransformeerd van strijdbare emancipatiebewegingen tot ’gediplomeerde leveranciers van beleidsopties’.
Politiek stond voor utopieën, visies, tradities, verbeelding, onafhankelijk oordeel, strijd en persoonlijke overtuigingskracht. Beleid staat voor technocratie: koel, rationeel, specialistisch. Hoewel met de nodige reserve, waagde Van Doorn zich aan de voorspelling dat de verzakelijking van het politieke bedrijf zal voortgaan en ’in ieder geval niet meer ongedaan is te maken’. Hoeveel vernuft men ook zou willen steken in de reconstructie van partij-ideologieën, van het resultaat zou in zijn ogen altijd een zekere kunstmatigheid afstralen.
Het is moeilijk vast te stellen in hoeverre Van Doorn gelijk heeft gekregen. De peiling staat als symbool en typisch verschijnsel van een marktcultuur nog recht overeind, zoals we zien, maar na de revolte van 2002 zijn er ook tendensen om de politiek back to basics te voeren, weg van de bureaucratie en technocratie, terug naar de burger als sociaal wezen in plaats van consument en teruggrijpend op tradities, mensbeelden en ideologie.
De revolte maakte boven alles duidelijk dat de overheid als uitdrukking van een te overspannen verwachting van de beleidsratio die Van Doorn beschrijft op haar grenzen is gestuit. Dat betekent dat de politiek een uitgelezen kans heeft om, samen met de burgers, terrein te heroveren. Zodra het onafhankelijk oordeel, de verbeelding en de overtuigingskracht weer de overhand krijgen, verliezen opiniepeilingen als vanzelf aan belang. Wij, de media, kunnen daaraan bijdragen door met het publiceren van enquêteresultaten nog veel terughoudender te zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.