Managers in het onderwijs neerzetten als bad guys is weinig vruchtbaar. Ze hebben dezelfde opdracht als docenten: leerlingen perspectief bieden.
Sinds enige tijd woedt in kranten en andere media een discussie over de kwaliteit van het onderwijs. Wat opvalt in deze discussie, is het gemak waarmee managers in het onderwijs de schuld krijgen.
Waren er maar minder managers, zo wordt geredeneerd, dan zouden docenten meer ruimte krijgen om hun vak (’lesgeven’) uit te oefenen, en de problemen zouden opgelost zijn. Ondertussen wordt voorbijgegaan aan de vraag wat een goede docent nu eigenlijk is.
Naar onze smaak is de discussie tot nu toe nogal eenzijdig en onnodig polariserend. De ouderwets degelijke vakinhoudelijke docenten worden als de good guys gepositioneerd, en de nieuwerwetse kletspraat verkopende managers als de bad guys.
Zo’n indeling is wel prettig overzichtelijk, maar weinig vruchtbaar. Managers en docenten staan namelijk voor dezelfde taak in het onderwijs: het zorgdragen voor de ontwikkeling van leerlingen tot zelfstandige burgers.
De rol van leerkrachten heeft te maken met het ’lesgeven’, hier niet voor niets tussen aanhalingstekens. Bij lesgeven denken de meeste mensen namelijk al snel aan het beeld van de leraar van twintig of dertig jaar geleden. Een leraar voor de klas die klassikaal theorie uitlegt, waarna leerlingen zelf met oefeningen aan de slag gaan. Na schooltijd is er huiswerk, en na een tijdje volgt een proefwerk of tentamen om te zien of er voldoende kennis is overgedragen.
De leraar doet echter niet alleen aan kennisoverdracht, maar is ook verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zijn leerlingen. Dat betekent dat de leraar niet alleen uitgaat van het aanbod van zichzelf als ’lesgever’, maar evengoed van de vraag van de leerling als degene die een ontwikkeling doormaakt.
Dit is zo’n belangrijk verschil, omdat de maatschappij de afgelopen decennia snel veranderd is, en daarmee de vraag die de leerling stelt aan de school. Het ouderwets degelijke lesgeven van twintig, laat staan dertig jaar geleden voldoet daarom niet meer.
Kort gezegd is de moderne docent een bi-professional: naast de vakkennis, is kennis over hoe kinderen leren en zich ontwikkelen een tweede pijler van het vak. Een docent die ruimte vraagt voor zijn professionaliteit, kan zich dus niet terugtrekken op zijn vakinhoudelijke eiland, maar zal moeten samenwerken met collega’s, praten over de ontwikkeling van leerlingen, en na moeten denken over alternatieven om bepaalde leerlingen te bedienen.
Samenwerken van docenten is dus noodzakelijk geworden, maar gaat helaas niet vanzelf. Kijk naar hartchirurgen: als zij niet samenwerken vallen er doden. Van school gaan zonder diploma is evengoed dodelijk voor de ontwikkeling van een leerling.
Te veel leerlingen overkomt dit nu nog, zowel in het beroepsonderwijs, als op havo en vwo, omdat leraren nog te weinig samen (kunnen) werken, vanuit de dubbele focus op vakinhoud én leerling.
Om die samenwerking te bereiken zijn managers nodig, die docenten bij elkaar brengen die soms jarenlang alleen maar naast elkaar gewerkt hebben. Ze ondersteunen docenten als die niet meer zien hoe het anders kan. En ze stimuleren goede initiatieven en bespreken slechte resultaten om te onderzoeken hoe het beter kan. Kortom: managers zijn in scholen nodig om ervoor te zorgen dat leraren zich ontwikkelen, en de school zich daardoor ook ontwikkelt.
Er is nog een reden waarom managers van belang zijn in scholen. De overheid trekt zich terug, scholen hebben meer verantwoordelijkheid gekregen. Tegelijkertijd worden er hogere eisen gesteld aan instellingen door ouders: die klagen eerder en meer en tot juridische procedures aan toe. Resultaten van inspectierapporten staan op internet en in de krant. Scholen zijn in concurrentie met elkaar.
De druk om resultaten te verantwoorden is groter geworden in de afgelopen jaren. Dit brengt veel werk met zich mee dat niet op het bordje van docenten terecht kan komen en dus door managers gedaan moet worden.
Laten we duidelijk zijn: ook wij vinden dat er door de overheid structureel te weinig geld uitgetrokken wordt, waardoor leraren meer lesuren dan hun Europese collega’s hebben en scholen hun doelen vaak moeten zien te behalen in gebrekkige gebouwen met een tekort aan goede materialen.
Het is echter demagogie te stellen dat het verminderen van het aantal managers deze problemen zou oplossen.
We stellen een niet-demagogisch alternatief voor. Van professionals – of het nu docenten of schoolleiders zijn – mag verwacht worden dat zij zich regelmatig de volgende vragen stellen: Doen we goede dingen? Doen we die dingen goed? Hoe weten we dit? Wat vinden anderen daarvan? En wat doen we met de verkregen antwoorden?
Aan de hand van die vragen zou de recente discussie over goed onderwijs bruikbare inzichten kunnen opleveren. Omdat we op die manier voorbij het zwartepieten en polariseren kunnen komen.
De meeste managers in het onderwijs doen hun werk met dezelfde bezieling als de leerkrachten voor de klas. Leerkrachten en managers kunnen niet zonder elkaar, ze hebben elkaar nodig. Het wordt tijd dat ze samen naar oplossingen gaan zoeken. Als we leerlingen een dergelijke houding proberen bij te brengen, laten we dan zelf het goede voorbeeld geven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.