In november 2004 maakten we ons nog druk om de uitverkiezing van de ’Grootste Nederlander aller tijden’. Van dit fenomeen had de oud-hoofdredacteur Trouw, Jaap de Berg, geen al te hoge pet op. Zo noteerde hij met nauwelijks ingehouden sarcasme dat dit spektakel niet veel meer om het lijf heeft dan een show van ’flauwekul en onbenul’: „De bedenkers van dit historische ’Idols’-circus zullen de verleiding niet kunnen weerstaan het vaderlandse verleden te grabbel te gooien voor ’Big Brother’-fans die Willem van Oranje vereenzelvigen met de assistent van ex-bondscoach Dick Advocaat.”
Daarmee vergeleken moge de deze week gepresenteerde canon van de Nederlandse geschiedenis en cultuur een klein wonder genoemd worden. Deze canon nodigt tenminste niet uit om een onmogelijke keus te maken tussen ongelijksoortige grootheden als dj Tiësto, Marco Borsato, Johan Cruijf en Willem van Oranje.
In plaats daarvan nemen de samenstellers ons mee op een fascinerende wandeling door de Nederlandse geschiedenis. Onderweg tal van vensters openend, die ruim uitzicht bieden op interessante personen en gebeurtenissen. En aan het einde van de reis hoeft de lezer niet bang te zijn wezenlijke zaken gemist te hebben, want alle highlights zijn wel zo’n beetje aan bod gekomen.
Eigenlijk ontbreekt er maar één ding: de canon vertelt geen echt verhaal. Volgens de storytelling-theorie van Gerbner en Gross komen daarin de vragen aan de orde die iedereen bezighouden, zoals de vraag naar de existentie: wat is er? Die naar de prioriteiten: wat is belangrijk? Die naar waarden: wat is goed, wat is kwaad? En tot slot die naar de onderlinge verhoudingen: wat hangt waarmee samen?
Dat waren ook precies de vragen die Nederland in het achterhoofd had toen men zo nodig een canon wilde. Volgens minister Van der Hoeven was er behoefte aan een ’nieuw verhaal voor Nederland’. Er is de laatste jaren zoveel gebeurd, schreef zij, dat het nodig is opnieuw na te denken over de identiteit van Nederland.
Welnu, met deze canon blijft de vraag wat we met al die doorkijkjes aanmoeten. De Drentse hunebedden maken ons niet veel wijzer. Misschien doet de ondernemingslust van de VOC dat wel, maar het blijft toch de vraag of daar misschien de kiem gelegd werd voor ons nog altijd onverwerkte koloniale verleden. En bij de beeldenstorm zal menigeen zich misschien vertwijfeld afvragen of dit de manier is om ons teweer te stellen tegen al die moskeeën in ons land. Kortom, mijn vrees is dat al die zo welwillend geopend vensters, welbeschouwd evenzoveel valkuilen zijn, en dat het er maar helemaal van af angt welke leraar bij het raam postvat om tekst en uitleg te geven.
Ten slotte is het fascinerend om te bedenken dat Pim Fortuyn bij uitstek zo’n verhalenverteller was. In al zijn verhalen schemerde iets door van Neêrlands grootse verleden, iets van de oude glorie, iets van wat hij noemde ’de grondstof van onze cultuur, van onze identiteit’. En steevast ook stelde hij die cultuur tegenover die van de islam, die hij als achterlijk betitelde. Fortuyn riep de natie op zich teweer te stellen tegen deze verloedering door de islam.
Uitgerekend die Fortuyn kwam in eerdergenoemde uitverkiezing als grootste Nederlander aller tijden uit de bus. Zijn verhaal had indruk gemaakt, en dat was ook de diepste reden waarom er zo nodig een canon moest komen. Nederland wilde zijn verhaal nog een keer horen, maar ditmaal in gecanoniseerde vorm. Het is er gelukkig niet van gekomen: de commissie vindt zo’n verhaal over identiteit en cultuur zelfs ’gevaarlijk’.
Dat vind ik ook, maar juist daarom is het laf dat de commissie zo’n verhaal op termijn niet uitsluit: nu is het nog te vroeg, oordeelde de commissie, maar straks mag Fortuyn misschien toch nog een plaats krijgen in de canon. Een ’nee’ tegen Fortuyn durfde zij niet aan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.