De steden zijn te grijs. Laat Amsterdam bijvoorbeeld bij de geplande verbreding van de snelwegen bij Amsterdam ook denken aan extra groen.
Ooit waren steden ommuurd. De poorters (stedelingen) konden maar op een paar plekken de stad uit, en ’s nachts helemaal niet. Uit defensief oogpunt was zo’n stadsmuur nuttig, maar was er rust en vrede in het land, dan was het een flinke sta-in-de-weg.
Ook om moderne steden ligt een stenen omwalling: bedrijventerreinen, verkeersknooppunten, sporthallen, bouwmarkten en een stadion. Maar hedendaagse poorters kunnen daar zelfs overdag moeilijk uit – de afstanden zijn te groot. Zeker om te lopen, vaak ook om te fietsen. Uit economisch oogpunt is die nieuwe stadsmuur nuttig, maar zijn we op zoek naar rust en vrede op het platteland, dan is het een flinke sta-in-de-weg.
Het is op zich begrijpelijk dat de bedrijven, de sporthallen, enzovoorts, liggen waar ze liggen: in de stad passen ze niet en op het platteland horen ze niet. Maar dat ze de stad als een ring insnoeren, dát getuigt van gebrekkige planning. Zo’n stad voelt grijs, stenig en beklemmend, in plaats van groen, leefbaar en ruim.
Staatsbosbeheer is hartstochtelijk vóór groene steden, met fiets- en wandelpaden naar landelijk groen. Zulke verbindingen zijn de noodzakelijke ’groene poorten’ in de stadsmuur. De overheid heeft, tot onze vreugde, plannen gemaakt voor groen in en om de stad; met budgetten zelfs. Maar de uitvoering verloopt tergend traag, en intussen raken de stedelingen meer en meer bekneld tussen nog meer meubelboulevards en kantoortorens.
Dat is ernstig, want mensen gedijen bij groen. Wie geregeld buiten komt, is meer ontspannen, gezonder en productiever. Kinderen die in de natuur komen, ontwikkelen zich beter. Dit zijn geen indrukken, maar sterke wetenschappelijke vermoedens, voor een deel zelfs harde feiten. Waarom worden onze steden dan toch minder groen, ondanks de goede bedoelingen van het rijk?
Voor een deel doordat de stenen nog altijd voorgaan en het groen erachteraan hinkt. Er ligt een stedenbouwkundig plan voor een nieuwe wijk – o jee, park vergeten. De nieuwe wijk wordt opgeleverd – de groenstructuur volgt járen later. Het begint met uitstel, en het draait uit op (gedeeltelijk) afstel. De oplossing is duidelijk: planning en aanleg van groen en grijs gelijk op laten gaan.
Probleem twee: de scherpe concurrentie om de ruimte. Die is in Nederland nu eenmaal schaars. Bedrijfsterreinen willen uitbreiden, sportfaciliteiten schuiven naar de stadsrand. Hun ruimtelijke claims hebben steun van gepassioneerde minderheden – kamers van koophandel, sportclubs, volkstuinverenigingen. Maar de toekomstige gebruikers van een recreatief fiets- of wandelpad wéten meestal niet eens wat er te winnen valt. Resultaat: voetgangers en fietsers kunnen fluiten naar hun groene poorten.
Gemeentebesturen lijken de aangewezen instantie om al die belangen toch op een zorgvuldige en verlichte manier af te wegen. Maar daar hebben we probleem nummer drie: stadsranden zijn vaak gemeentegrenzen. Dus voor de groene poorten is de medewerking nodig van buurgemeenten, die daar minder belang bij hebben. Veel dorpen worden liever groter dan groener.
Juist vanwege zulke problemen heeft het rijk de regie over de aanleg van groen om de steden neergelegd bij de provincies. Maar een regisseur kan pas goed werken als er een goede producer is, die duidelijke lijnen uitzet en erop toeziet dat de productie op schema ligt. Het rijk doet dat te weinig – probleem vier.
Vier problemen, één gevolg: onze steden zijn te grijs. Dat is slecht voor de stedelingen en slecht voor onze welvaart. Want kijk naar sterke economische regio’s in Europa, zoals Londen, Barcelona en Frankfurt: allemaal kennen ze een stevige groenstructuur. ’Kwaliteit van het bestaan’, een verzamelterm voor zaken als groen, veiligheid en cultureel aanbod, is voor internationale bedrijven een vestigingsplaatsfactor van toenemende betekenis. Een knellende stadsmuur van steen en asfalt heeft dus ook strikt economisch gezien niet alleen voordelen.
Al die problemen zijn oplosbaar. Het volgend kabinet moet dat doen. Want elke Nederlander zou op hoogstens één kilometer oftewel een kwartier lopen van zijn huis toegang tot groen moeten hebben. Daarvoor is meer natuur in de stad nodig, meer natuur rondom de stad, en genoeg groene poorten. Slaan we geen bressen in onze moderne stadswallen, dan slaan we gaten in onze gezondheid.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.