Weet u nog wel, Jemmingen? Toe, 1568. Nou, ik niet. Toch had ik het moeten weten, want het staat achterin in het hoofdstukje ’Om te onthouden’: 1568, Heiligerlee en Jemmingen. Ter gelegenheid van het verschijnen van de historische canon heb ik mijn geschiedenisboekje van de lagere school te voorschijn gehaald. Inmiddels zelf geschiedenis geworden. Het heet ’Mijn schildt ende betrouwen’, is geschreven door J. van Belle en J.C. Barth, en de vaderlandse geschiedenis houdt er op pal na de watersnood en met de oprichting van de Verenigde Naties. Ik moet een jaar of elf geweest zijn, het is althans bedoeld ’voor het vijfde leerjaar van de lagere school’. Vooral de plaatjes staan me bij: de Duitse keizer op een Nederlands grensstation, het gezin van stadhouder Willem V dat zich in Nijmegen amuseert. Of dit nu de hoogtepunten uit onze geschiedenis zijn, vraag ik mij af, maar aan canonvorming doet het visuele geheugen niet. Heel erg genuanceerd werd het ons allemaal overigens niet verteld, misschien moet je ook wat ouder zijn om de geschiedenis in z’n context te plaatsen. Over Floris de Vijfde: ’Toen de burgers hun geliefde graaf wilden bevrijden, hebben de edelen hem lafhartig vermoord. Dat gebeurde in 1296’. Over Wilhelmina lees ik ’Voor haar geloof heeft ze zich nooit geschaamd. Toen ze eens in Frankrijk was, zei ze: „Christ avant tout.” Dat betekent: Christus vóór alles.’ Het zal wel een christelijk geschiedenisboekje zijn geweest. Floris’ dood heeft de nieuwe canon wel gehaald; je kunt ook zeggen dat hij alweer veertig jaar geschiedenis heeft overleefd, Wilhelmina’s vroomheid niet. Daar kun je de multiculturele samenleving nu eenmaal niet langer mee lastigvallen. Ik weet niet hoe het is om momenteel elf jaar te zijn, maar me dunkt dat wij inmiddels ook een heel andere toon tegen kinderen van die leeftijd aanslaan. In mijn tijd zat de de historicus bij het aankweken van historisch besef geduldig op zijn hurken. Over het vertrek van Alva: ’Dat de mensen hier blij waren, behoeven we je niet te vertellen.’ Of: ’In Frankrijk had een knappe generaal zichzelf keizer gemaakt. Hij heette Napoleon.’ Pijnlijke momenten in de geschiedenis werden mij veertig jaar geleden vooral als ’jammer’ voorgesteld. Over de achteruitgang der kloosters in de Middeleeuwen: ’Het is alleen maar jammer, dat dit alles niet zo gebleven is.’ Over Oldenbarnevelt: ’Jammer, dat Maurits hem geen gratie (= genade) heeft geschonken.’ Frederik Hendrik: ’Jammer, dat hij die vrede niet meer beleven mocht.’ Michiel de Ruyter. ’Jammer, dat onze beroemde admiraal De Ruyter de vrede met Frankrijk niet meer heeft beleefd.’ En verder ’Jammer, dat de Hollanders de bruine Indische mensen soms slecht behandelden.’ Jammer, jammer, jammer. Het stond er allemaal al keurig in, begin jaren zestig, alleen de kleur is definitief veranderd. Het lieve, paternalistische ging eraf. Komt allicht door de ontzuiling in de jaren zestig, die de nieuwe canon gek genoeg niet haalde, alhoewel toen heel Nederland op de schop ging en van mentaliteit begon te veranderen. Had er wat mij betreft wel bij gemogen: jaren zestig, Nederlands onschuld vermoord.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.