*

 

Judas, de ingewijde, bevrijdt Jezus van zijn aardse lichaam

door Hans van Oort − 05/09/06, 00:00

Hans van Oort, vertaler van het Judasevangelie in het Nederlands, ontdekte in dit esoterische geschrift ’wellicht drie nieuwe spreuken van Jezus’.

Op de boekenvakbeurs ’Vers voor de Pers’ heeft uitgeverij Ten Have gisteren de eerste officiële Nederlandse vertaling gepresenteerd van Het Evangelie van Judas, de vroegchristelijke codex (boek van papyrusblad), waarover sinds de mondiale presentatie dit voorjaar wereldwijd veel te doen is.

In zijn inleiding bij de presentatie onthulde vertaler Hans van Oort dat het heel goed mogelijk is dat het Evangelie van Judas drie onbekende spreuken van Jezus overlevert.

Hier volgt een sterk bekorte versie van zijn inleiding over inhoud en betekenis van het Judasevangelie.

In het ’Evangelie van Judas’, in het Grieks geschreven tussen 120 en 160, is Judas niet de slechterik die Jezus heeft verraden, maar juist een held. ’Van Judas’ betekent dat Judas in dit stuk een belangrijke plaats inneemt. ’Evangelie’ betekent dat een geschrift betrekking heeft op Jezus. Uit de eerste eeuwen van onze jaartelling zijn zo’n 35 ’evangelies’ bekend. In verschillende staan alleen maar ’woorden van Jezus’.

Zoals in het Evangelie van Thomas, dat bestaat uit 114 ’woorden van Jezus’. Toen het Thomasevangelie eind jaren vijftig in Nederland bekend werd, deed men zeer denigrerend over zoveel ’gnostische onzin’. Hoogleraren trokken ten strijde. Dat doet geen zinnig mens meer. Er is geen enkele confessie die mensen verplicht te geloven dat het onmogelijk is dat er echte woorden van Jezus buiten de canonieke evangelies voorkomen.

Wetenschappelijk staat vast dat de oudste evangeliën die wij hebben, in het Nieuwe Testament staan. Marcus, Mattheüs, Lucas en Johannes dateren ongeveer uit de jaren 65-90. Maar mogelijk zijn fragmenten van enkele andere evangeliën ouder dan deze ’complete’ evangeliën. Dat geldt zeker voor de oudst traceerbare bronnen van het Evangelie van Thomas.

Ook het Evangelie van Judas levert, in zeker drie gevallen, mogelijk soortgelijke ’onbekende woorden van Jezus’ over: ’En zij (= degenen die in Jeruzalem offers brengen) hebben bomen geplant die geen vruchten voortbrengen, in mijn Naam, en op een schandelijke wijze’; ’Een bakker kan niet de gehele schepping onder de hemel voeden’ en: ’Het is onmogelijk om zaad te zaaien op een rots en daarvan vrucht te oogsten.’

Het Evangelie van Judas presenteert zich in de eerste zinnen als ’Het geheime verslag van de openbaring die Jezus eens openbaarde in een gesprek met Judas Iskariot. Dit gesprek had plaats gedurende acht dagen en drie dagen voordat Hij het paasfeest vierde’. ’Geheim’ wijst op iets esoterisch, en inderdaad is dit evangelie een esoterisch geschrift. Het pretendeert het verslag te zijn van een openbaring van Jezus. Dergelijke ’openbaringen’ kwamen destijds veel voor, maar wát dan geopenbaard werd, bleef onbekend. Het mocht slechts in zeer beperkte kring worden doorgegeven en niemand mocht er met de buitenwereld over spreken. Hier is ons zo’n openbaring als het ware in de schoot gevallen.

De openbaring wordt gegeven aan Judas. Hij is niet de verworpene, maar de verkorene, de leerling die alle andere discipelen overtreft. Geen sinistere booswicht, maar schitterende uitblinker.

Wat maakt Jezus bekend en wanneer? Na lang kloppen op de tekst en de structuur van het gehele evangelie lijkt mij de oplossing als volgt. Eerst spreekt Jezus met alle leerlingen, Judas incluis. Drie gesprekken op drie dagen, met allen. Dan volgt een lang gesprek met Judas alleen. De schrijver laat dat acht dagen duren. Acht verwijst naar het volmaakte. Judas wordt acht dagen ingewijd; daarna volgt zijn mystieke ’optrekking’ ofwel ’hemelvaart’.

Waarin worden Judas en deels de andere discipelen ingewijd? Ook dat duiden de eerste zinnen al aan: ’de mysteriën boven deze wereld en wat zal plaatsvinden aan het einde van deze wereld’. Als elke rabbi in die tijd vertelt Jezus ’verborgenheden’ in de kring van de eigen ingewijden. Ook het latere rabbijnse jodendom kent dergelijke openbaringen, zoals eveneens de islam, naast de Koran, haar esoterische tradities heeft. Godsdiensthistorisch is deze tekst vooral verwant met bepaalde voorvormen van de latere kabbala.

Over ’de geheimenissen boven deze wereld’ en over ’wat plaats zal vinden aan het einde van deze wereld’, gaat het grootste deel van het Evangelie van Judas. In hoofdlijn blijkt het te gaan om een gnostische visie op het menselijke bestaan in deze wereld. Voorondersteld is dat de innerlijke kern van de mens goddelijk is. Deze innerlijke mens moet worden verlost. En dát is wat Judas uiteindelijk bij Jezus doet door hem over te leveren. Ook de mens Jezus moet van zijn aardse, vergankelijke lichaam worden bevrijd. Die daad – hier uiterst positief geduid – wordt in gang gezet door Judas. Niet wordt gezegd dat hij Jezus verraadt en al helemaal niet met een kus. Judas geeft Jezus over.

Het Judasevangelie bevestigt dat wij het Griekse werkwoord paradidonai, dat ook in het Nieuwe Testament vaak in dit verband voorkomt, niet moeten vertalen met ’verraden’, maar met (vooral positief) ’overgeven’, ’overhandigen’, soms zelfs ’toevertrouwen’.

Een voor ons tijdsgewricht allicht heel belangrijk element: Christus wordt ’de Profeet’ genoemd. Dat verwijst naar oeroud joods-christelijk erfgoed. De oudste christelijke gemeente van Jeruzalem bestond uit joden. Ook als joden christen zijn geworden, wanneer ze Jezus van Nazareth als Messias hebben aanvaard, gebeurt dit binnen hun joodse voorstellingswereld. Zij hebben Jezus gezien als de beloofde Profeet. Veelzeggend zoals hier niet alleen joodse en oerchristelijke, maar ook islamitische voorstellingen over Jezus met elkaar overeenkomen. In de Koran luidt het: „Hij [Jezus] zei: ’Ik ben Gods dienaar. Hij heeft mij de Schrift gegeven en Hij heeft mij tot Profeet gemaakt’.” (soera 19:30).

De vondst van het Judasevangelie betekent veel. We wisten van het bestaan en vagelijk over de inhoud van de tekst. Maar nooit werd ook maar één letterlijk citaat uit deze geheime ’openbaring’ bekend. Dat we nu ineens die tekst hebben, is op zich al een sensatie.

Het is een esoterische tekst. Ook dat is heel bijzonder. Naar mijn inzicht was deze openbaring echt bedoeld om binnen kleine kring geheim te blijven. Dat is eeuwenlang gelukt.

Dit ’evangelie’ geeft bijzondere informatie over een sterk joods gekleurde en nu christelijk geworden gnostische groepering. Die groepering kwam vooral voor in Egypte. Mogelijk had zij oorspronkelijk ook aanhangers in Jeruzalem. Ongeveer in de jaren 120-160, wellicht zelfs eerder, heeft zij haar opvattingen op schrift gesteld. Aan het beeld van een veelkleurig jodendom en het daaruit ontstane christendom voegt dit geschrift een nieuw facet toe.

Via het Judasevangelie hebben we mogelijk nieuwe woorden van Jezus. Een opnieuw oeroude overlevering die meldt hoe de allereerste (joodse) christenen Jezus zagen. Als de Profeet, ook als de Naam, de wezensopenbaring van de Eeuwige.

Last, not least: hier wordt een totaal ander beeld van Judas getekend. Dat is ’protestexegese’ zoals die in de Vroege Kerk in het algemeen, en in joods-gnostieke kring in het bijzonder, vaker voorkwam. Dat Judas (= Iouda(s) = Jehoedah = de Jood) hierbij in het centrum staat, is veelbetekenend. Ook daarover zal de discussie zeker voortgaan.

mailIcon print |