*

 

De grage drinker kan nu zelf aan de slag. Maar voor eigen pils zijn geduld en een grote ijskast nodig.

Jeroen Thijssen − 02/09/06, 00:00

Bier uit eigen kelder, dat zou wel iets voor mij zijn. Onder donkere gewelven rusten gistende vaten vocht, de stoffige flessen wijn in het rek blijven onaangeraakt, want welke gast durft om druivensap te vragen wanneer ik met een pint eigen brouwsel voor hem sta? Maar helaas, voor dergelijke fantasieën ontbreken het gewelf én het vat.

Maar dan meldt deze krant een wonderlijke noviteit: de beermachine, een Amerikaanse vinding waarmee de grage drinker zelf aan de slag kan, voor 99,00 euro. Dat is iets voor mij.

Nog geen drie dagen later bezorgt de post een grote doos met daarin de twee helften van een groot plastic vat, die met stevige schuiven aan elkaar bevestigd zijn. In de twee helften zitten verschillende gaten. Volgens de handleiding moeten daar de foamfilters, drukverdelers en aftapkranen in. Maar allereerst moeten de twee helften waterdicht op elkaar aangesloten worden, door een afsluitring in de onderste gleuf van de onderste helft te proppen en de bovenste helft erop te klemmen. Het plaatsen van de afsluitring gaat opmerkelijk gemakkelijk. Om dichtheid te controleren moet ik water in het apparaat laten lopen en druk geven met het koolzuurgas. Spannend is dat. Het gas sist, de ketel spant: zou ik het goed hebben gedaan?

Enfin. Na vier pogingen sluit het vat eindelijk zonder lekken.

Maar nu is het ergste leed geleden. Ik moet de machine schoonmaken, spoelen en afdrogen – daar was ik liever mee begonnen, handleiding. Nu moet ik de tank tot een derde vullen met water en de biermout toevoegen. Inderdaad zit er een grote, witte plastic zak bij het pakket. ’Pils’, staat erop, dat moet het zijn. Er zit een bruinig poeder in dat zoet smaakt. Heel voorzichtig giet ik het poeder door het bovenste gat, en vul aan tot de bovenste rand. Dan de gist erbij, die in een klein, apart zakje zit. Filters erop, kraantje dicht, klaar. Nu begint het grote wachten. De beermachine moet drie tot vijf dagen staan om te gisten, bij zo gelijkmatig mogelijke kamertemperatuur. Aan het eind van die periode moet het apparaat in de koelkast, om het bier helder te krijgen en goed op smaak.

Kijk, dat is wel een probleem. Het vaatje steekt, met CO2-patroon, zo’n vijfendertig centimeter hoog. Om die in de koelkast te krijgen, moet er een complete plank uit. Dat is niet zo’n ramp, maar onze koelkast zit altijd ramvol.

Gelukkig is de buurman zo vriendelijk om koelruimte vrij te maken en kan het apparaat in mijn eigen exemplaar. Alleen kan nu het deurtje niet meer dicht. Amerikanen hebben natuurlijk veel grotere koelkasten dan wij, want in dat land is alles groter. Nu moet ik schuiven en wurmen, tot het zaakje past. En weer moet ik wachten – eigen bier is een geduldzaakje.

Maar dan is het zover. De huiskamer zit vol vrienden en buren die het wonder wel eens willen proeven. De machine komt op tafel, een haal aan een hendel en het eerste bier loopt eruit. Bruin is het, veel bruiner dan pils. Er zit wel wat schuim op, maar bijna alle prik ontbreekt. Heel vaag tikkelt het op de tong. De smaak is goed, maar lijkt eerder op een Belgisch donker bier dan op pils.

Dat is niet erg, een beetje experiment levert verrassende resultaten op. En de prik komt er na een paar dagen onder koolzuur ook wel aardig in.

Mooi apparaat, waar veel mee te doen valt, maar je moet wel geduld hebben, en een grote koelkast.

mailIcon print |