De Nederlandse economie zit weer in de lift. Mag het kabinet zichzelf hiermee feliciteren of is dat verkiezingsretoriek? Als slot van deze serie minister van economische zaken Joop Wijn, die stelt dat dankzij dit kabinet, Nederland weer vooroploopt.
De Nederlandse economie staat er nu beter voor dan in 2002, toen het eerste kabinet-Balkenende aantrad. De moeilijke fase gedurende de eerste jaren Balkenende laat zien dat geen enkel kabinet zich kan onttrekken aan kortetermijnontwikkelingen van de economie. Toch heeft dit kabinet de afgelopen jaren vaak het verwijt gekregen dat het de moeilijke economische fase zelf veroorzaakte. Daarbij gingen de critici er blijkbaar van uit dat de overheid op korte termijn grote invloed heeft op het verloop van de economie. Op dit moment vertoont de economie een krachtig herstel. Maar nu het weer goed gaat, stellen de critici dat dit te danken is aan een aantrekkende wereldeconomie en niets te maken heeft met het kabinetsbeleid. Dit kan niet beide waar zijn. De kritiek doet daarmee onrecht aan de prestaties van dit kabinet.
Bij de start van Balkenende-I in 2002 bevond de Nederlandse economie zich in zwaar weer. Het sprookje van de nieuwe economie had eind jaren negentig geleid tot overspannen aandelenkoersen en overinvesteringen in het bedrijfsleven. Vanaf het najaar 2000 keerde deze trend plotseling en was er wereldwijd sprake van heftige correcties. De groei zakte stevig in en de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven verslechterde. Dit was het gevolg van sterk gestegen loonkosten in combinatie met een lage groei van de productiviteit. Gezinnen werden getroffen door een stijgende werkloosheid, koersdalingen op de aandelenbeurzen en een sterke stijging van de pensioenpremies.
Ondertussen verslechterde de concurrentiepositie van Nederland verder vanwege de aanhoudend stijgende loonkosten. Naast de economische terugval werd het kabinet geconfronteerd met een forse verslechtering van de overheidsfinanciën. Nederland dreigde Europese afspraken over de 3-procentgrens voor het begrotingstekort te schenden.
De uitdagingen waar het kabinet voor stond, waren niet alleen conjunctureel van aard. De stagnerende wereldeconomie legde namelijk structurele zwaktes in de Nederlandse economie bloot. Duidelijk werd dat de paarse kabinetten hadden verzuimd in een tijd van hoge economische groei noodzakelijke structurele hervormingen door te voeren. Daardoor waren forse inspanningen cruciaal om de arbeidsdeelname te bevorderen en het groeivermogen van de Nederlandse economie op peil te houden.
Dit was de economische realiteit waarbinnen het kabinet moest werken. Het kabinet heeft niet geprobeerd om de economie op korte termijn bij te sturen. Het verleden heeft geleerd dat dit nauwelijks mogelijk is; zeker voor een kleine open economie als de Nederlandse.
De hervormingsagenda was dan ook niet ingegeven door een tijdelijke economische dip, zoals door sommigen ten onrechte wordt beweerd. Het ging om structurele maatregelen in reactie op structurele uitdagingen. Dit is consequent de leidraad geweest in het economisch beleid van de kabinetten-Balkenende. Zo heeft het kabinet de vennootschapsbelasting substantieel verlaagd, administratieve lasten aangepakt en geïnvesteerd in kennis en innovatie. Dit alles draagt bij aan een structurele versterking van de Nederlandse economie. Dat deze lijn verstandig was, blijkt ook uit het feit dat in de politiek niemand de hervormingen wil terugdraaien. Wat in de afgelopen jaren is gezaaid, kan de economie nu en in de toekomst gaan oogsten.
Hoe staan we er nu voor? De economische groei ligt volgens de verwachtingen rond 3 procent per jaar en de werkloosheid daalt in 2006 en 2007 in totaal met ongeveer 140.000 personen. Volgend jaar zijn er 50.000 minder werklozen dan in 2003 en het totale beroep op de sociale zekerheid ligt dan naar verwachting op het laagste niveau van de afgelopen decennia. Deze resultaten zijn zeker niet alleen de verdienste van het kabinet geweest. Ook sociale partners hebben een belangrijke rol gespeeld. Gezamenlijk hebben overheid en partners, zij het na discussie, via sociale akkoorden aangestuurd op een gematigde ontwikkeling van de contractlonen. Daarnaast hebben de sociale partners een cruciale rol gespeeld de sociale zekerheid activerender te maken.
De huidige opleving van de Nederlandse economie is mede daardoor krachtiger dan in veel omringende landen. We laten landen als Duitsland en Frankrijk ver achter ons en behoren weer tot de kopgroep in Europa. Dit ontkracht de kritiek dat de huidige opleving louter het gevolg is van het herstel van de internationale economie. Deze kritiek is overigens gebaseerd op de enigszins achterhaalde gedachte dat de Nederlandse economie maar wat meedobbert op de golven van de wereldeconomie. Dat automatisme werkt niet meer. Integendeel. De afgelopen jaren maken duidelijk dat in een globaliserende wereld structurele zwaktes en slecht beleid hard worden afgestraft door snel opkomende economieën. Als de loonkosten te hoog zijn, betaalt Nederland een hoge prijs in de vorm van banenverlies. Een goede concurrentiepositie en aantrekkelijk vestigingsklimaat zijn meer dan ooit cruciaal.
Dit kabinet laat de economie in een betere staat achter dan waarin hij haar aantrof in 2002. Zonder voorbehoud stel ik vast dat het kabinetsbeleid in de afgelopen jaren heeft bijgedragen aan de huidige groei en de structurele versterking van de Nederlandse economie. De vooruitzichten zijn gunstig en er is reden voor optimisme: Nederland werkt en investeert weer.
Het verleden heeft echter geleerd dat we in tijden van herstel niet achterover moeten leunen. Nederland is nooit af. Dit vraagt om een overheid die niet afwacht, maar actief de uitdagingen oppakt. Verdere versterking van de structuur van de Nederlandse economie blijft ook in de toekomst belangrijk. De concurrentiekracht moet versterkt en zoveel mogelijk mensen moeten aan het werk worden geholpen. Daarnaast is een innoverend bedrijfsleven en voldoende ruimte voor ondernemerschap cruciaal. Hierbij moet sociaal evenwicht en maatschappelijk draagvlak niet uit het oog worden verloren. We moeten toe naar een economie waarin iedereen naar vermogen meedoet. Dan kunnen we én de vergrijzing én de globalisering aan, én ons sociale karakter behouden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.