Vanuit een niet helemaal zuivere belangstelling (het soort belangstelling waar een mens het meeste plezier aan beleeft) ben ik meteen begonnen aan Günter Grass’ ’Beim hüuten der Schwiebel’.
Ik red het op de meeste bladzijden net met mijn Duits, en op sommige bladzijden net niet. Mijn woordenschat gaat wel, hoewel ik vrees soms vrijwel zeker de verkeerde betekenis te koesteren. Ohnehin = zonder meer. Beharrlich = behaaglijk. Angekokelt = bekogeld. Een gedroomd Duits dat alleen standhoudt omdat ik het denk te begrijpen, een illusie die zou verdampen als ik het woordenboek ijveriger gebruikte.
Maar Nachschub – winzigtuend – Inzkate – Kuttelfleck - Dorsch zijn woorden die ik echt niet weet. Rauschning heb ik ook opgezocht, maar daar greep mijn overdreven ijver er precies naast, want dat is geen woord maar een persoon, waarvan ik altijd dacht dat hij Rauschnigg heette, in de trant van Schussnigg.
Nou ja, zo kom je nog eens ergens. Problematischer voor mij is Grass’ stijl. Hij houdt van lange zinnen, die overigens uitstekend lopen en waarin hij alles wat hij meanderend aanduidt desgewenst in fraaie cadans een tweede maal langs laat komen, nu met een iets andere helm op, maar nog steeds voorwaarts marcherend naar wat voor alle betrokkenen de eindzege zou moeten betekenen die reeds in de eerste clausule breeduit lachend in de deuropening stond waarachter mijn vader zich vergeefs schuilhield, want hij wist dat ik hem zou komen halen.
Van die zinnen. En daar helpt geen woordenboek je uit.
Na ’Die Blechtrommel’ dat ik in Engeland las als ’The Tin Drum’ heb ik nooit iets van Grass gelezen en daarom kan ik deze eerlijke en goedmoedige graver in zijn eigen verleden niet afzetten tegen de ethisch zo hoog te paard zittende criticus die in deze bladzijden voorgoed van zijn voetstuk schijnt te vallen.
Ik hoor de dreun niet, want deze 17-jarige SS’er zien we echt niet in de weer bij het de trein in ranselen van weerloze Joden, of vergelijkbare narigheid. Nee, de SS waar hij deel van uitmaakte was een schimmige eenheid van bijna virtuele aard die ergens aan de Duitse Oostgrens na een eerste blik op de aanrollende moloch van het Russische leger meteen uiteenvalt.
In een Duits tv-programma hoorde ik een commentator zeggen: hoe zou dat toch komen dat mensen die aan de goede kant stonden, die verzet pleegden, zich de gebeurtenissen vrijwel tot op de minuut weten te herinneren terwijl de Mitmacher immer een waas voor ogen komt zodra ze moeten proberen zich iets te herinneren van de ellende waar ze bij betrokken waren? Ik denk dat er in het geheugen van beide groepen precies evenveel gaten zitten, alleen heeft de meeloper niet zulk lekker spul om zijn gaten mee te vullen als de verzetsheld.
Grass heeft geen illusie over de vele gaten in zijn geheugen en hij bladert in de voorbije tijden met een weldadige helderheid over wat hij daar aantreft en wat niet. Wat hij zoekt is zijn leven in en om de oorlog zoals dit zich afspeelde ver onder overzichtelijke rubrieken als ’de Oorlog’, ’de ineenstorting’, ’de holocaust’ en dat lukt maar ten dele.
Te midden van zo veel milde wijsheid werd ik getroffen door twee voorbeelden van meningsverandering, intellectuele ’regime change’ zeg maar, die nederig stemmen. Wij vragen ons te weinig af hoe we aan onze meningen komen. En hoe je er vervolgens weer van af raakt.
Grass vertelt dat hij als jongen van veertien Remarque’s ’Im Westen nichts Neues’ las, een verboden boek dat per ongeluk nog in het ouderlijk huis aanwezig was. Remarque wilde jongens als Grass van het idee afhouden dat oorlog iets anders is dan grootscheepse zwijnerij.
Toch stormde hij ondanks dat boek precies de kant op waar die zwijnerij zich afspeelde. Hij concludeert over Remarque en zijn werk: „Altijd weer herinneren schrijver en boek mij aan mijn jeugdige onverstand en tegelijkertijd aan de ontnuchterend begrensde invloed van literatuur.”
Een tweede meningsverandering gold het lot van de Joden. Vanuit het krijgsgevangenenkamp werd hij onder leiding van een Amerikaanse Education Officer gedwongen tot een rondleiding met uitleg in Dachau. Voorafgaand daaraan hadden ze naar de ons nu bekende foto’s moeten kijken van lijkenbergen, verbrandingsovens, verhongerde en uitgeteerde slachtoffers uit Bergen-Belsen en Ravensbrück. Deze jonge nazi’s hadden maar één antwoord: „En dat zou door Duitsers aangericht zijn? Zoiets doen Duitsers niet. Dat is allemaal propaganda.”
Na afloop van de Dachau-excursie zegt één van hen: „Hebben jullie die doucheruimtes gezien met die sproeiers, voor het gas zogenaamd? Die waren fris gepoetst (frisch geputzt), hebben de Amerikanen duidelijk pas later aangelegd ”
Pas in 1946 hoort Grass op de radio Baldur von Schirach als oorlogsmisdadiger in Neurenberg zeggen dat binnen de Hitlerjugend hij en hij alleen op de hoogte was van de moord op de Joden. Toen hij deze stem dit hoorde zeggen geloofde Grass het ook: „Ihm musste ich glauben. Ihm glaubte ich immer noch.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.