*

 

Multireligieus Nederland kan best een Reve gebruiken

Door: redactie − 02/09/06, 00:00

Schrijver Joost Zwagerman (1963) heeft het niet op revianen-met-de-slappelach, voor wie het rooms-katholicisme van Gerard Reve (1923-2006) altijd in dienst stond van de ontregelende ironie. Hij luistert liever naar wat de revianen-met-de-vromefrons te vertellen hebben. Volgens hem kan het multireligieuze Nederland van 2006 best een Gerard Reve gebruiken. „En bij gebrek aan een nieuwe Reve, voldoet het werk van de oude nog volop.”

G erard Reve liet zich naar het schijnt niet vaak zien in het Vlaamse stadje Machelen, waar hij de laatste twaalf jaren van zijn leven woonde. Wel ging hij er iedere zondag naar de mis. Dat vertelde pastoor Gabriël Desmaele tenminste in april op de Nederlandse televisie. Er was in die twaalf jaar een ’gereserveerde vriendschap’ ontstaan tussen de Vlaamse pastoor en de Nederlandse volksschrijver.

Desgevraagd wilde Desmaele wel iets zeggen over de smalle marge tussen ernst en luim, ironie en godsvrucht die altijd wordt gememoreerd bij het bespreken van Reve’s katholicisme. Desmaele had zo nu en dan lange gesprekken met Reve gevoerd over allerlei facetten van de Moederkerk. „Als je zo vaak over God en de moeder Maria spreekt, en als je elke zondag naar de mis komt, dan kan het geen komedie meer zijn”, aldus Desmaele, die verder op fluistertoon nog allerlei warme dingen zei over de parochiaan voor wie hij die vijftiende april van dit jaar de uitvaartdienst verzorgde.

Sommige revianen zullen zich vermoedelijk hebben geamuseerd met de woorden van de pastoor uit Machelen. Weer zo’n goedgelovige roomse dombo die niet in staat is om Reve’s spel met kitsch en katholicisme, met de goede mop en de heilige Maria, met God en gnosis, naar waarde te schatten. Want, zeggen veel revianen dan met een inmiddels ingebakken automatisme: Reve geloofde wel én niet, het was hem ernst én spel tegelijk, en juist die combinatie van het uitgestreken gezicht met de vette knipoog maakte zijn werk én persoon zo onweerstaanbaar en uniek.

Gerard Reve sloeg oprecht een kruisje en hield even oprecht zijn tong in de wang. Wie die gelijktijdigheid van devotie en grapjasserij niet begreep, begreep het hele oeuvre niet. Einde discussie, einde verhaal.

Ik heb nooit veel op gehad met de pertinentie van dit type reviaan. Inderdaad, revianen komen in verschillende typen. Het is achterhaald om te veronderstellen dat de revianen of revisten één en ondeelbaar zijn in hun bewondering voor het oeuvre van de volksschrijver.

Laat ik me beperken tot de twee basistypen.

Oprecht veinzen

Het eerste type is de zogeheten reviaan-met-de-slappe-lach. Voor deze categorie staan alle ernst en ’roomse heisa’ in het werk van Reve altijd in dienst van de ontregelende ironie en de vette knipoog. Je herkent dit type reviaan aan de bereidheid om bij vrijwel elke passage van de schrijver in een schaterlach uit te barsten. Een representatieve gezant uit deze categorie is Theodor Holman. Als Holman over Reve komt te spreken, gaat dat vrijwel altijd gepaard met een gehinnik in crescendo, uitmondend in dijenkletsen. Deze schuddebuikende appreciatie geeft aan Reve’s werk onbedoeld een biedermeiersfeer. Ongewild en onbedoeld bewijzen deze revianen hun idool zo een slechte dienst.

Het tweede type is de reviaan-met-de-vrome-frons. Dit type heeft, anders dan de naamgeving doet vermoeden, heus ook waardering voor de humor en de clownerie in Reve’s werk. Maar deze revianen zijn van mening dat alle ironie een voertuig is voor een hoogstpersoonlijke geloofsbelijdenis. Deze belijdenis dient in Reve’s werk ter bezwering van wanhoop en misantropie. De meer rigide vertegenwoordigers van dit type willen incidenteel nog wel eens over een verborgen agenda beschikken; zij doen aan exegese om te komen tot evangelisatie. Met andere woorden: als zo’n anarchist en vrijdenker als Gerard Reve zich een katholiek noemde, dan is voor ons de bekering niet ver weg.

Maar de meeste revianen van het tweede type willen slechts Reve’s godsdienstigheid duiden en doorgronden, zonder ons te willen bekeren tot iets anders dan Reve’s werk. Het is jammer dat dit tweede type naar verhouding niet vaak aan het woord komt, al was het maar doordat ze zich niet willen aanpassen aan de slappe lach van het eerste type.

Ik heb altijd graag geluisterd naar wat revianen van dit tweede type hebben te beweren over Reve en de moederkerk. Reve lezen kan er interessanter op worden als je zo nu en dan degenen met de vrome frons eens raadpleegt. Denk hierbij aan Frans Kellendonks omschrijving van ironie. Kellendonk noemde ironie ’oprecht veinzen’. In vervolg hierop meende Kellendonk dat hedendaagse christenen die de Tien Geboden onderhouden, dit doen in een ironische geest. Ook geloven was voor Kellendonk een kwestie van oprecht veinzen. Toen ik die typering voor het eerst las, vond ik het een perfecte samenvatting van de geloofsbeleving van Gerard Reve.

Ik kan het zonder uitleg van revianen stellen wanneer ik mij laaf aan de stijlmiddelen van Reve zodra hij overduidelijk veinst, met alle kolder en Schmiere van dien. Maar op welk godsbegrip beriep Reve zich nu precies zodra dit veinzen werd omkranst met een halo van onaangetaste oprechtheid?

Postmodern jargon

Ik herinner me de publiciteit rondom een doctoraalcursus aan de Radbouduniversiteit Nijmegen die in 1989 werd gegeven over de bijzonderheden van Reve’s godsdienstigheid. In die tijd heette de Radbouduniversiteit overigens Katholieke Universiteit Nijmegen. Er was naast die cursus ook een lezingenreeks georganiseerd. Deze lezingen werden gepubliceerd in ’Eigenlijk geloof ik niets’, met bijdragen van literatuurwetenschappers, theologen en zelfs van een ongeschoeide karmeliet, Frans Vervooren.

„Ik ben een godsdienstig auteur, of U en ik er zin in hebben of niet: er is niets meer aan te doen.” Deze uitspraak van Reve, uit de verantwoording bij zijn ’Verzamelde Gedichten’, diende officieus als sleutelzin tijdens de lezingenreeks. Het symposium in Nijmegen was overduidelijk een evenement van revianen van het tweede type. Wie zeventien jaar na dato de lezingen van destijds nog eens bekijkt, merkt dat de deelnemers toen hun handen vol hadden aan het combineren van de ideeën van allerlei postmoderne filosofen met het schrijverschap van Reve. ’Eigenlijk geloof ik niets’ is rijkelijk besprenkeld met postmodern jargon en met de zoektocht naar wat je zou kunnen noemen ’omgekeerde intertekstualiteit’ – dat wil zeggen: naar sporen van Gerard Reve in het werk van zijn voorgangers in plaats van nazaten. Zo ontdekte de godsdienstfilosoof Gerrit Steunebrink tal van reviaanse motieven in ’Die Christenheit oder Europa’ van Novalis. Voor de goede orde: Novalis schreef dit in 1799.

In de postmoderne filosofie ’bestaat’ God uitsluitend voor zover er teksten en ideeën over Hem bestaan. In een notendop: de geschiedenis heeft een labyrintisch weefsel van teksten en beelden over de wereld gedrapeerd, en binnen dat labyrint zijn het Oude en Nieuwe Testament slechts een van de talloze ficties die – en ik voeg me even naar het postmoderne discours – de fictionaliteit van de wereld onderstreept. Voor de postmodernist is de Bijbel niets meer maar ook niets minder dan een goed en bruikbaar verhaal. En Jezus is een oneindig te reproduceren romanpersonage, vergelijkbaar met andere sleutelfiguren uit de wereld der fictieve (anti)helden, van Odysseus, Humbert Humbert en Joe Speedboot tot 007, Elckerlyc en Spongebob. God is een plot.

Reve als postmodernist – daarvan schrokken heel wat revianen zich destijds een hoedje. Intussen voerde Reve in zijn latere werk regelmatig een ’vermenselijkte’ God op, een God met goede en slechte kantjes, met nukken en noden, verlangens en angsten. Dat was niet zozeer postmodern als wel hoogromantisch. Reve annexeerde God voor eigen en exclusief gebruik in zijn literaire universum, ongeveer zoals Harry Mulisch ooit de Tweede Wereldoorlog claimde met de uitspraak: „Ik ben de Tweede Wereldoorlog.” In variatie daarop had Reve kunnen beweren: „God weet dat ik Hem was, ben en ook zal zijn.”

Net als Frits van Egters uit ’De avonden’ en Hugo Treger uit ’Bezorgde ouders’ is God in zijn werk vanaf ’Nader tot U’ en ’Op weg naar het einde’ een bij uitstek reviaans karakter. Als een personage met menselijke trekken wordt God in Reve’s oeuvre heen en weer geslingerd tussen duistere driften en zuiver licht, tussen lijden en liefde, conflict en verlossing.

„God is bezig door mij Zichzelf te scheppen. Daarom ben ik zowel vrij als onvrij en daarom mag ik, die immers gemaakt ben naar Zijn beeld en gelijkenis, Hem gerust een beetje vermenselijken.” Dit schreef Frans Kellendonk, maar het had evengoed van Gerard Reve kunnen zijn. Zo noemde Reve met – zwaar aangezette – vertedering God ’wel een Schat’, en dichtte hij Hem, het mag bekend zijn, op zekere momenten een smachtende begeerte en een avontuurlijk erotisch leven toe, zij het vaak zó buitenissig dat het van grote afstand al duidelijk werd dat hier de vlag van de clownerie werd geheven. Voor de enkeling die het niet kent: in de beruchte ’ezelpassage’ werd er heel wat gerommeld en, in de newspeak van 2006, ’geploegd’ met God. Dat ging dan zo: „God zelf zou bij mij langskomen in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: „Gerard, dat boek van je – weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild hebt?” (...) „Halverwege zou ik al in janken uitbarsten en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten.”

Hoogstromantische geloofsbelijdenis

Ik heb me wel eens afgevraagd wat er zou zijn gebeurd als Reve wat later zou zijn geboren en niet in de jaren zestig maar in ónze tijd deze even suikerzoete als uitzinnige ezelpassage zou hebben gepubliceerd. Toen Reve het schreef moest het scheldwoord ’geitenneuker’ in Nederland nog worden uitgevonden. In ieder geval zou Reve als eerste zelfbenoemde christelijke ezelsneuker zijn daad van opperste devotie aan God – want dat was die vleselijke vereniging tussen gelovige en diergeworden God tenslotte – een ander soort rumoer hebben veroorzaakt dan destijds in de jaren zestig. ’Rondom Tien’ en andere goedbedoelende praatprogramma’s zouden overuren hebben gedraaid, met op de ene publiekstribune, zo stel ik me voor, empathische ongeschoeide karmelieten die de passage graag uitlegden aan de mensen op de andere tribune, moslimjongens en -meisjes die Reve’s literaire passage vermoedelijk zouden hebben opgevat als een naar hun stellige overtuiging zoveelste bewijs voor de degeneratie van het Westen en de labbekakkigheid van het christendom.

Wie zoals ik opgroeide in de jaren zeventig en dankzij beatmis en hippiecultuur zonder veel frictie van zijn geloof kon vallen, ontdekte vermoedelijk weinig blasfemisch in Reve’s ezelpassage. Onze langharige en pacifistische pastoor van dienst legde tijdens de beatmis uit dat Jezus ’gewoon een Toffe Peer’ was – en zo zong het jongerenkoor het dan ook, onder begeleiding van een roedel blijmoedig tokkelende gitaristen: „Jezus was een fijne vent, een fijne vent, een fijne vent.” In essentie week zo’n lied tijdens de beatmis niet veel af van Reve’s voorstelling van zaken van God als Strenge Meester die tegelijkertijd van alle lijdenden de Zwaarst Getroffene was die ónze troost hard nodig had.

In zijn geloof in een vermenselijkte God trok Gerard Reve een onvermijdelijk gevolg, namelijk de uitbreiding van de zondeval en de erfzonde tot aan hemelse proporties. Niet uitsluitend de mens is getekend en geketend als gevolg van Eva’s greep naar de appel, maar ook God zelf. Door die kosmische vergroting van de erfzonde creëert Reve met één godsdienstige pennenstreek een tragisch universum: „God is even zondig als ik, en behoeft evenzeer door mij verlost te worden als ik door Hem.”

Dit tragisch universum, waarin God en mens inwisselbaar zijn in hun zondigheid en verlangen naar vergeving en verlossing – dit tragisch universum trekt ons bestaan niet mee in peilloze diepten. Want: er staat een innerlijke verlossing tegenover die erfzonde. Als God menselijk is, en Hij tegelijkertijd in onszelf huist als goddelijke kern, dan is ieder godvruchtig individu een wandelende heiligverklaring. Reve radicaliseerde de beroemde uitspraak van Willem Kloos door uit te gaan van het credo: „Ik ben God in het diepst van mijn gewrichten.” Dus niet ’een God’, maar gewoon, zonder het onbepaald lidwoord: ’God’. Dankzij onze goddelijke vonken is God in staat Zich aan Ons én Zichzelf te tonen. Of, om Kellendonks woorden nog een keer te onderstrepen: „God is bezig door mij Zichzelf te scheppen.”

Met die mystieke vermenging van God en gestalte doet het er voor Gerard Reve in essentie niet meer toe of God bestaat of niet. Goddelijkheid is geen kwestie van bestaan maar van openbaring. In ’Brieven aan Josine M.’ vatte Reve samen: „God kan niet gemaakt, ontdekt of bemachtigd worden, maar openbaart Zich wanneer Hij wil, want Hij is niet verstand, noch een in de werkelijkheid denkbaar zijn, maar Liefde, die door Lijden Genade is.” Een zin uit een van de brieven aan Vasalis sluit naadloos aan bij deze passage: „Ik geloof niet, dat God bestaat, maar wel dat Hij Zich aan mij openbaart. Hij heeft het bestaan niet van node, heb ik de indruk.”

Nog even in postmodern jargon: als fictie is God verheven boven alle andere ficties. Door liefde en lijden aaneen te smeden biedt de goddelijke fictie, volgens het evangelie van Reve, alle mogelijke troost, verlossing en genade die geen enkele andere heilsweg kan bieden. Maar: zonder zelfwerkzaamheid geen God. Een statisch geloof aan Hem werpt geen vruchten af. Een godsdienstige levenshouding en -invulling, die zich uit in subjectieve hartstocht, eens te meer. Vandaar de vrome wensgedachte over God als Ezel – geen blasfemische dijenkletser maar een hoogromantische geloofsbelijdenis.

Onverwacht ontroerend

Twee lezingen uit de bundel ’Eigenlijk geloof ik niets’ zijn, mede gezien de ontkerkelijking en de toenemende islamisering van Nederland, onverminderd actueel. Allebei zijn van de eerdergenoemde karmeliet Frans Vervooren. Beide lezingen dragen een puur theologisch karakter en hebben onder meer tot het doel het blootleggen van allerlei mystieke geloofsaspecten in Reve’s werk. Vervooren benadrukt de noodzaak van mystici, ’anarchisten’ en andere godsdienstige eenlingen in een tijd waarin de Kerk als instituut naar de marge verdwijnt. Terwijl inmiddels de moskee onstuitbaar naar het hart van godsdienstig Nederland oprukt, is die noodzaak tot mystiek en godsdienstige ’anarchie’ alleen maar groter geworden. „Voor veel mystici is ’kerk’ een verschijnsel dat wanhopig maakt”, aldus Vervooren. En hij noemt mystici ’de rebellen binnen een kerkelijke gemeenschap’. Veel korter geleden dan dat Vervooren zijn lezing uitsprak en publiceerde, schreef Ayaan Hirsi Ali een pamflet met als titel: ’De islam heeft een Voltaire nodig’. Akkoord, maar intussen kan het multireligieuze Nederland van 2006 ook best een Gerard Reve gebruiken. En bij gebrek aan ’een nieuwe Reve’ voldoet het werk van ’de oude’ nog volop, lijkt me.

Terug naar pastoor Desmaele uit Machelen. De pastoor twijfelde er niet aan of Gerard Reve is inmiddels op de gewenste bestemming aangekomen. Daags voor de uitvaartdienst liet Desmaele weten dat hij Johannes 14, vers 1 tot en met 11 wilde voorlezen: „In het huis van mijn Vader zijn vele woningen.” En Desmaele besloot het interview met: „Gerard Reve kan gerust zijn. Voor iedereen is plaats. Hij is van harte welkom.”

Een bekentenis: in het licht van die vermenging van God en mens vond ik die herderlijke en pastorale geruststelling onverwacht ontroerend. Het welkomstwoord van Desmaele heette immers ook God welkom in het reviaanse universum. Nadat Reve was aangeklaagd voor blasfemie vanwege de passage over de ezel, beweerde hij, in zijn ’Pleitrede voor het Hof’: „Wij zijn geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, dat wil zeggen in diepste wezen verschillend. God en Zijn schepping zijn Eén, want niet alleen wij mensen, maar al het bestaande is naar Zijn beeld geschapen.”

Een logische consequentie van deze gedachtegang is, in variatie op de woorden van pastoor Desmaele: God kan gerust zijn. Voor iedereen is plaats. Hij is van harte welkom. Aldus luidt het reviaanse leergezag: Gerard Reve is dood, maar dankzij God Die Reviaan is leeft de schrijver in en buiten zijn oeuvre voort.

Vanzelfsprekend onttrekt God zich aan de eerdergenoemde twee basistypen revianen. Net als het oeuvre van Zijn schepper is Hij hors concours en hors categorie, daar helpt geen moedertjelief aan.

Dit essay is deels gebaseerd op het hoofdstuk over Gerard Reve in Joost Zwagermans bundel ’Collega van God’ (1990). Dit essay is deels gebaseerd op het hoofdstuk over Gerard Reve in Joost Zwagermans bundel ’Collega van God’ (1990).

mailIcon print |