*

 

Weg met de religieuze privileges

door Patrick van Schie − 01/07/06, 00:00

De liberalen vinden dat aan religie door de staat geen bijzondere plaats mag worden toegekend. Maar de Nederlandse liberalen hebben de logische consequenties daaruit nooit durven trekken. Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting van de VVD, vindt dat het nu tijd is voor afschaffing van de religieuze privileges: van de grondwettelijke vrijheid van godsdienst tot aan de staatsbekostiging van religieus gekleurd bijzonder onderwijs.

’De liberale politiek vindt haren grondslag in het gezag der menschelijke rede De liberale politiek is in haar wezen, ofschoon niet altijd in de praktijk een tak van den breden stroom van het rationalisme. Wat de wetenschap op velerlei gebied heeft geleerd en verschaft is, veelal tegen het hardnekkig verzet der kerkelijke partijen in, hoe langer hoe meer gemeen goed geworden’ De liberaal P.W.A. Cort van der Linden, nu vooral nog bekend uit zijn functie van minister-president tijdens de Eerste Wereldoorlog, wond er in 1886 als hoogleraar, in zijn gedegen studie Richting en beleid der liberale partij, geen doekjes om. Politiek diende voort te vloeien uit overwegingen van het menselijk verstand. Hier dienden argumenten, net als in de wetenschap, controleerbaar en dus met kracht van tegenargumenten weerlegbaar te zijn. Voor bovennatuurlijke dogma’s mocht in een liberale politiek geen plaats worden ingeruimd.

In de laatste decennia van de negentiende eeuw stuitten de woorden van Cort van der Linden in eigen kring nauwelijks op tegenspraak. Waar iemand zich in zijn eigen leven zoal door liet leiden, dat ging niemand wat aan. Het geloof was voor de ’binnenkamer’. De staat diende die ruimte niet te betreden. Maar wat zich daar afspeelde, diende ook binnenskamers te blijven. Godsdienst en politiek waren gescheiden werelden, althans: zij dienden van elkaar gescheiden te worden gehouden.

De confessionelen grepen deze stellingname gretig aan om de liberalen als vijanden van de godsdienst af te schilderen. De tegenstelling confessioneel-liberaal zou er één zijn tussen geloof en rede, en het was duidelijk waar een goed christen dan voor had te kiezen. De liberalen betoogden hiertegenover dat wie het geloof werkelijk lief had, het niet met politieke twisten wenste te bezoedelen. ’God erkennen in het staatsrecht’ was niet hetzelfde als het voortdurend aanroepen van God ter verdediging van de eigen opvattingen. Uiteindelijk konden overigens de confessionelen het evenzeer niet zonder de rede stellen, of zij dat nu aangenaam vonden of niet. Immers, zo schreef het liberale Tweede-Kamerlid P. H. Roessingh (een predikant) in 1905: ook confessionelen ontvingen de Openbaring niet ’onmiddellijk’ maar ’middellijk’, dat wil zeggen dat zij ’het redevermogen van den mensch’ nodig hadden om de Openbaring te begrijpen.

Maar na de Eerste Wereldoorlog meenden meer en meer liberalen, net als confessionelen, dat een scheiding tussen godsdienst en politiek toch niet viel aan te brengen. Tekenend waren de woorden die de liberale staatsrechtgeleerde C. W. de Vries uitsprak – onder veel bijval – in een feestrede in 1931 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Vrijheidsbond, een directe voorloper van de VVD: „De christelijke grondgedachte willen wij niet uitsnijden. Zij is zelf deel der werkelijkheid. Eerder geeft de historische roeping van de liberale gedachte ook nu aan de christelijke grondgedachte vrijheid en vlucht. De Bijbel is voor ons volk en voor de wetenschap bron van kennis en oorkonde van openbaring Zouden velen onder ons nu nog durven aanvaarden de stelling van Cort van der Linden: ’naar liberale beginselen heerscht de rede oppermachtig’? Wij weten nu toch dat de rede slechts een der factoren is, die de persoonlijkheid mede bepaalt.’’ Sommige liberalen gingen zo ver hun voorgangers het verwijt te maken dat deze onvoldoende waardering voor de godsdienst hadden opgebracht. Nog begin jaren tachtig betoogde de man die tussen 1958 en 1976 de VVD-fractie in de Eerste Kamer leidde, Harm van Riel, dat het de opvolgers van Thorbecke ’als gevolg van hun intellectuele geaardheid en hun distantie van het christendom aan het vermogen tot het geven van een vaste, bezielende leiding ontbrak’. In hun antiklerikalisme zag hij zelfs een van de wortels van de verwording van de samenleving.

Van Riel zag Thorbecke als de vertegenwoordiger van het ware liberalisme dat aan godsdienst de plaats toekende die hem toekwam. Nu verwierp Thorbecke inderdaad de gedachte dat de Nederlandse samenleving zou kunnen worden begrepen met veronachtzaming van de christelijke grondslagen. Maar dat wil allerminst zeggen dat hij politiek op christelijke beginselen wilde gronden. Werd die poging ondernomen, dan verviel men immers onvermijdelijk in de leerstellingen van een bepaalde kerkelijke gezindheid. Een juiste politiek oversteeg daarentegen de kerkelijke verschillen en was als vanzelf doordesemd van een ’christendom boven geloofsverdeeldheid’. ’De stille werking van het Christendom, boven verdeeldheid van geloof, is oneindig algemeener en grooter, dan hetgeen men in de kerkelijke sfeer met oogen ziet. Het Christendom heeft onze wetgeving en ons bestuur, onze samenleving en onze zeden doortrokken; maar dat is niet in het bijzonder Christendom eener bepaalde kerk.’ Het christendom waarvan Thorbecke de invloed onderkende was ’eene burgerlijke kracht geworden’.1

Als goede liberaal was Thorbecke voorstander van de scheiding tussen kerk en staat. De staat diende gevrijwaard te blijven van kerkelijke invloeden, de kerken moesten zich op hun beurt vrijelijk kunnen ontwikkelen. Het was volgens hem zaak ’aan de kerkgenootschappen een stand te verzekeren, waarbij hun de volle onafhankelijkheid van privaatregtelijke vereenigingen wordt gewaarborgd’.2 Het door zijn grondwetsherziening uit 1848 mogelijk gemaakte herstel van de bisschoppelijke hiërarchie van de katholieke kerk in Nederland, tegen veel antipapistisch protestants verzet in, was een logische invulling van die vrijheid. Thorbecke stond pal voor die vrijheid. Zijn consequente optreden in deze leidde in 1853 tot de val van zijn eerste kabinet. Maar de vrijheid van godsdienst betekende wat hem betreft ook dat de kerken geen bevoorrechte positie konden claimen. Daarom was de liberale staatsman eigenlijk geweest voor het doorsnijden van de ’zilveren koorde’, de financiële ondersteuning die de staat aan de kerken gaf. Slechts uit tactische overwegingen, om zijn grondwetsherziening niet in gevaar te brengen, had hij zich in de jaren veertig neergelegd bij het voortduren van staatssubsidie aan de kerkgenootschappen.3

Toen geruime tijd na zijn dood liberalen in het land zich voor het eerst verenigden, in 1885 door oprichting van de Liberale Unie (LU), gebeurde dit vooral om de invloed tegen te gaan van de confessionelen die immers ten onrechte ’voor het Staatsrecht bij de Openbaring ter school gaan’.4 Begin twintigste eeuw werd ter rechterzijde van de LU de Bond van Vrije Liberalen (BVL) opgericht, een klassiek-liberale partij. Bij het vaststellen van het beginselprogram in 1907 werd een poging ondernomen om de ’gezonde ontwikkeling van den godsdienstzin’ tot staatsverantwoordelijkheid te verklaren. De indiener van het amendement meende dat de vrij-liberalen duidelijk moesten maken dat zij een kerkgenootschap niet beschouwden als een zangvereniging. De voorzitter van de commissie die het voorliggende beginselprogram had opgesteld wilde hem dat nageven ’maar het Historisch Genootschap is ook iets anders dan een tennisclub’. Er was geen enkele reden om de kerk een andere rechtspositie dan die van een particuliere vereniging te geven. Het amendement over bevordering van de godsdienstzin werd met ruime meerderheid verworpen. De BVL sprak zich in zijn beginselprogram krachtig uit voor de scheiding tussen kerk en staat.

Tijdens het interbellum raakte de liberale politiek in de verdrukking. De confessionelen heersten oppermachtig, zolang zij althans de gelederen gesloten hielden en zo hun meerderheid in de Tweede Kamer te gelde konden maken. Mede in een poging aantrekkelijk te blijven voor religieus voelende kiezers nam de Vrijheidsbond, een fusie van zeven partijen waaronder LU en BVL, in zijn eerste program een zinsnede op met ’Erkenning van de waarde van het geestelijk en van het godsdienstig leven voor maatschappij en Staat’. Later werd hier nog een schepje bovenop gedaan. Zo legde de partij in 1929 in haar beginselprogram neer dat het ethische en godsdienstige gemoedsleven ’onvervangbare waarden’ bevatte voor de vorming van geest en karakter.

Na de Tweede Wereldoorlog zette de VVD het christelijk anker nog steviger vast. Bij haar oprichting in 1948 sprak zij in haar beginselprogram uit dat ’het bovenal de christelijke geest is, die ons volk de waarde en de vrijheid van de mens en zijn verantwoordelijkheid heeft doen beseffen. Zij [de VVD] acht het daarom een onafwijsbare eis, dat door versterking van deze geest zedelijke ontworteling en geestelijk nihilisme worden overwonnen’.

Partijleider P. J. Oud nuanceerde deze bepaling tien jaar later door aan te geven dat er pas sprake was van ’ware vrijheid als men zich tegelijkertijd gebonden weet aan een hoger beginsel: de een ontleent het aan de godsdienst, aan een godsdienstige overtuiging, de ander aan een andere bron. Het standpunt van onze Partij is nu, dat de vraag, waaruit dat hogere beginsel stamt, door een ieder in eigen geweten moet worden beoordeeld.’

Onder leiding van Oud zelf boog een partijcommissie zich in 1961 over het meer concrete vraagstuk van financiële steun aan kerkgenootschappen. De commissie noemde ’de bevordering van een krachtig kerkelijk leven een activiteit van voldoende groot openbaar belang’. Maar zij maakte ook een ’duidelijk onderscheid tussen neutraliteit van de staat ten aanzien van het kerkelijk leven, een neutraliteit, die zij afwijst, en een objectieve actieve instelling van de staat, d.w.z. een gelijke behandeling door de staat van al die activiteiten, die als maatschappelijk nuttig worden gekwalificeerd. Een logisch gevolg van deze houding van de overheid is het betuigen van respect aan de groepen niet-kerkelijken.’ Bevordering van het kerkelijk leven was op zichzelf genomen prijzenswaardig, maar viel naar het oordeel van de commissie op één lijn te stellen met bevordering van culturele en charitatieve doelen.5

Bij de herziening van het beginselprogram in 1966 werd het christendom niet meer als dé inspiratiebron aangewezen. ’De partij ziet de Nederlandse samenleving bovenal gedragen door de geest van christendom en humanisme’, heette het nu. ’Het is haar overtuiging dat de zedelijke beginselen daarvan aan de Westerse samenleving in het algemeen en aan de Nederlandse samenleving in het bijzonder ten grondslag liggen en dat zij deze behoren te blijven kenmerken.’ De verwijzing naar het christendom werd in 1980 geheel uit het beginselprogram geschrapt. In 1994 zou toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein dit nog betreuren als een ontkenning van ’een deel van onze erfenis’. Maar zijn partij is niet tot wederopneming van waardering voor het christendom overgegaan. Het laatste Liberaal Manifest, Om de vrijheid, stelt weer – in navolging van de liberalen aan het einde van de negentiende eeuw – dat liberale politici zich niet bemoeien ’met wat mensen diep in hun binnenste geloven. De geest is immers vrij’. De grens ligt daar waar de religieuze beleving een gevaar oplevert voor de openbare orde of voor het vreedzaam samenleven. De VVD moet, aldus het Liberaal Manifest uit 2005, ’het liberale, verlichte erfgoed hervinden’. Daartoe wordt een combinatie bepleit van religieuze tolerantie en een neutraal publiek domein.

Wie de mate waarin liberalen het belang van godsdienstzin hebben onderstreept zet naast hun verkiezingsresultaten, moet het opvallen dat de perioden waarin de neutraliteit werd benadrukt grotendeels corresponderen met electorale kracht, terwijl de speurtocht naar een meer religieus getinte verankering van het liberalisme werd ondernomen toen de liberalen onder de kiezers slecht scoorden. Natuurlijk is de Nederlandse samenleving in belangrijke mate door het christendom gestempeld, ten goede of ten kwade. Zo’n feit hoeft dan echter nog niet meteen in een beginseldocument te worden vermeld, net zomin als daarin wordt opgenomen dat elke dag de zon opkomt en ondergaat.

De tijden dat de confessionelen de Nederlandse politiek domineerden zijn (gelukkig) voorbij. Het CDA staat momenteel, begin mei 2006, in de peilingen onder de 30 zetels. De partij lijkt daarmee, na de uitschieters van 2002 en 2003, weer terug te zijn op haar natuurlijke niveau. Gelet op de ontwikkeling van het electoraat, de geringere religieuze gebondenheid van jongere generaties, is het te verwachten dat het CDA in de toekomst zal terugglijden naar de positie van een middelgrote partij.

Onder die omstandigheid is er voor de liberalen geen enkele noodzaak meer, zo men al meent dat die er vroeger wel was, om niet krachtig voor de eigen overtuiging uit te komen. Die overtuiging is níet dat er voor religie geen plaats in onze samenleving is. Ieder individu dient immers zelf uit te maken waardoor hij of zij zich laat inspireren. De liberale overtuiging is wél dat aan religie door de staat geen bijzondere plaats mag worden toegekend. Juist omdat overtuigingen en inspiratiebronnen van mensen individuele aangelegenheden zijn, dient de staat zich hiertegenover neutraal op te stellen. Kerken, moskeeën en andere religieuze organisaties mogen dan ook geen aanspraak kunnen maken op voorrechten die andere particuliere verenigingen niet bezitten. Een overtuiging die is gebaseerd op een godsdienstig geloof of een als ’heilig’ beschouwd boek is niet meer beschermwaardig dan welke andere overtuiging ook.

Daarom dient het grondwetsartikel met de vrijheid van godsdienst (art. 6 Gw) te worden geschrapt. De waarborgen die het artikel beoogt te geven aan het in vrijheid belijden van godsdienst of levensovertuiging, worden al gedekt door de vrijheid van uiting van gedachten of gevoelens (art. 7 Gw), de vrijheid van vereniging (art. 8 Gw) en de vrijheid van vergadering en betoging (art. 9 Gw). Zulke vrijheden behoren te gelden voor elke Nederlander, ongeacht de vraag of zij op een religieus gevoelen stoelen. Andere artikelen die de godsdienst(igen) een streepje voor geven, zullen eveneens op de helling moeten. Te denken valt hierbij aan de bepaling uit het wetboek van strafrecht volgens welke op het verstoren van een religieuze bijeenkomst een hogere straf staat dan op het verstoren van een niet-religieuze bijeenkomst tot aan de staatsbekostiging van het religieus gekleurde bijzonder onderwijs.

Het zal nog wel even duren voordat de resten van het tijdperk van confessionele heerschappij uit het Nederlandse staatsbestel zijn verwijderd. Dit zal ook niet zonder slag of stoot gaan. Verzet kan natuurlijk worden verwacht uit de confessionele gelederen; omdat hun getalsmatige kracht afneemt zullen de confessionelen steun van anderen behoeven. Ook PvdA’ers en VVD’ers die liever de boel de boel laten dan de gelijkberechtiging van alle burgers ongeacht de aard van hun overtuiging principieel serieus nemen, verzetten zich nog. Toch zal het verzet op den duur geen stand kunnen houden. Als de 21ste eeuw halverwege is, verwacht ik dat religie de plaats heeft gekregen die haar toekomt: een zaak van burgers, niet van de politiek.

Dit is de licht bekorte versie van de bijdrage van Patrick van Schie aan ’Zonder geloof geen democratie’, het zomernummer van Christen Democratische Verkenningen.

Noten

1. G.G. van der Hoeven, De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van mr. J.R. Thorbecke, IV 17 november 1854 tot 15 juli 1857 (Groningen, 1905).

2. J.R. Thorbecke, ’Narede’, in: idem, Parlementaire redevoeringen. Ministerie van september 1865 tot februarij 1866 (Deventer, 1870) pp. v-xx, p. ix.

3. W. Verkade, Overzicht der staatkundige denkbeelden van Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) (Arnhem, 1935) pp. 307-308. De ’zilveren koorde’, de staatssubsidie voor de kerkgenootschappen, zou pas bij de grondwetsherziening van 1983 worden verwijderd.

4. Aldus LU-voorzitter I.A. Levy in zijn openingsrede op de oprichtingsvergadering, zoals aangehaald door G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland 1872-1901(Den Haag, 1980) p. 108.

5. De commissie sprak zich trouwens uit tegen directe subsidie. Zij gaf er de voorkeur aan het verlenen van particuliere steun fiscaal aantrekkelijker te maken.

mailIcon print |