Minister Verdonk had ruimte om Hirsi Ali haar paspoort te laten behouden. Dat blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad van gisteren.
Gisteren is de Hoge Raad afgekomen met zijn nieuwe uitspraak over naturalisaties met valse persoonsgegevens. Daar werd met veel belangstelling naar uitgezien, ook al omdat demissionair minister Verdonk zich zo vastgeklampt had aan de eerdere uitspraak van 11 november 2005. Daarin had ons hoogste rechtscollege uitgesproken dat naturalisatiebeslui- ten met gebruikmaking van foute persoonsgegevens de verzoeker niet identificeerden en dus geen rechtsgevolg hadden, behoudens bijzondere omstandigheden. Dit was ook vaste jurisprudentie van de rechtbank Den Haag, die over dit soort zaken als enige in het land te beslissen heeft.
Aanleiding voor de nieuwe uitspraak was een omslag bij die rechtbank, die oordeelde dat de situatie was veranderd door een nieuwe bepaling van 1 april 2003, die de minister de bevoegdheid gaf om naturalisaties met valse identiteitsgegevens in te trekken (en dus niet de nietigheid ervan vast te stellen). Vanaf dat moment behoorden, aldus de rechtbank, uit een oogpunt van rechtszekerheid en zorgvuldigheid zulke naturalisaties onder dit art.14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) gebracht te worden, met ruimte voor de minister om afwegingen te maken met alle bijzondere omstandigheden van het geval.
De advocaat-generaal had in januari, in zijn conclusie voor de huidige beschikking, niet veel meer gedaan dan de uitspraak van de Hoge Raad van vorig jaar te herhalen. Hij zag er geen brood in. Maar de Hoge Raad nu wel. Deze maakte, eigenlijk in overwegingen ten overvloede, een onderscheid tussen de naturalisaties van voor 1 april 2003, en die van daarna waarbij valse persoonsgegevens een rol speelden. De laatste vallen, aldus de Hoge Raad onder de wet van 2003, en die leiden dus niet automatisch tot de vaststelling dat de naturalisatie niet telt. De naturalisaties daarentegen van voor die datum – en daar ging het in dit geval om – blijven vallen onder de jurisprudentie van 11 november 2005, met één verduidelijking: over de ’bijzondere omstandigheden’ merkt de Hoge Raad op, dat de naturalisatie wel geldig is als ondanks onjuiste persoonsgegevens de betrokkene toch voldoende is te identificeren om beoordeling van het verzoek mogelijk te maken.
De overwegingen van de Hoge Raad kunnen een leidraad zijn bij het onderzoek dat mevrouw Verdonk nog steeds instelt op grond van de door haar overgenomen motie-Van der Vlies in het debat van 16 mei jongstleden. Deze hield in het wettelijk systeem van identiteit en naturalisatie aan een onderzoek te onderwerpen. In haar brief aan de Kamer van 27 juni zegt zij nog wat tijd daarvoor nodig te hebben omdat er veel haken en ogen aan zitten. Als zij zich zo vastgespijkerd acht aan de rechtspraak van de Hoge Raad, is zij meteen klaar, zou ik denken.
In het licht van de uitspraak had zij ook alle ruimte gehad om de bijzondere omstandigheden waarover de Hoge Raad in november had gesproken ruim uit te leggen en vast te stellen dat Ayaan Hirsi Ali haar Nederlanderschap wel degelijk verkregen had. Niemand heeft aan haar identiteit getwijfeld bij de behandeling van haar naturalisatieverzoek. De Kamer had het dus bij het goede eind, al vermoed ik dat vele parlementariërs niet wisten waarom zij dat gelijk hadden.
De Hoge Raad heeft nu in feite de gedachtegang gevolgd die door veel juristen, zoals prof. De Groot uit Maastricht en ondergetekende is voorgetekend. Valse identiteitsgegevens in naturalisatiebesluiten, hoezeer ook logischerwijs iemand anders aanwijzend dan de verzoeker, leiden niet meer tot vaststelling dat de naturalisatie geen rechtsgevolg heeft, maar tot eventuele intrekking van het besluit door de minister, die daarvan de opportuniteit en proportionaliteit moet laten meewegen. Bovendien kan de minister na twaalf jaar niet meer opkomen tegen foute identiteitsgegevens of andere vormen van fraude en bedrog, behalve bij verzwegen misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Dat is een grote verbetering ten opzichte van de vaststelling dat de naturalisatie niet tot stand gekomen is, die logischerwijs onverjaarbaar is.
Ik heb een punt van kritiek, maar dat is wel fundamenteel. Een overgangsbepaling bij de wet van 2003 zegt, dat ’de intrekking van het Nederlanderschap op grond van art. 14 niet verder terugwerkt dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet, indien het Nederlanderschap voor dat tijdstip is verleend’. Dit betekent dat de wet uitdrukkelijk toelaat om de oude gevallen onder de nieuwe wet te behandelen, zij het dat de eventuele intrekking van het besluit maar beperkte werking heeft en niet verder terug mag werken dan tot de datum van 1 april 2003. Ik begrijp niet hoe de Hoge Raad dan tegelijkertijd zijn tweedeling tussen gevallen van voor 1 april 2003 en de gevallen van daarna kan handhaven. De wet laat die terugwerkende kracht wel degelijk toe. De gevallen van voor 2003 vallen naar mijn mening op grond van deze overgangsrechtelijke bepaling wel degelijk onder art. 14. Komt met andere woorden de valse identiteit boven water na 1 april 2003, dan kan de minister ook voor de eerdere naturalisaties het besluit al dan niet intrekken; trekt zij in, dan gaat dat maar terug tot 1 april 2003; al wat voordien geschied is op basis van het (veronderstelde) Nederlanderschap blijft geldig.
Hoezeer ik de beschikking van de Hoge Raad ook toejuich, er zit nu toch een inconsistentie in: enerzijds wordt identiteitsfraude net als ander bedrog onder art. 14 gebracht, en ook wordt erkend dat er een overgangsbepaling is die ook eerdere gevallen onder deze bepaling brengt, maar anderzijds weigert de Hoge Raad zijn wereldvreemde jurisprudentie ten aanzien van die oude gevallen (verkeerde naam, dan geen naturalisatie) los te laten. Iets voor een volgende keer.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.