*

 

Dominee én overtuigd atheïst

door Lodewijk Dros − 01/07/06, 00:00

De toekomst van de kerk hangt af van het atheïsme, vindt dominee Klaas Hendrikse uit Middelburg. „Geen mens gelooft toch meer dat er een collectief aanspreekbare God is?”

Stap als buitenstaander op zondagmorgen eens een kerk binnen. Je weet niet wat je hoort, zegt Klaas Hendrikse. „Een ouderling van dienst die iets vertelt over ’zondag quasimodo geniti’, een predikant die begint zegt ’genade zij u van onze Heer Jezus Christus’. Dan sta je toch alweer buiten?”

Zelf verstaat Hendrikse de taal en de gebruiken in traditionele kerken wél. Hij studeerde theologie en nog wel tussen de gereformeerde-bonders, de steile mannenbroeders die zich in Utrecht voorbereiden op het predikantschap. „Die nam ik op de koop toe, net als die strenge hoogleraren, want alleen Utrecht had een zaterdagopleiding.” Door de week werkte hij bij Rank Xerox.

Klaas Hendrikse noemt zichzelf een ’late roeping’. Geroepen tot wat? Niet tot de pastorie. „Eerder tot het runnen van een toko in de zachte sector, dat kon ik wel met mijn Nyenrode-achtergrond.’’

Het werd toch de pastorie, die van Zierikzee, nu 22 jaar geleden. Afkomstig uit een atheïstisch nest ging hij in de begintijd anoniem naar uitvaartdiensten. „Gewoon om te zien: hoe dóén ze dat nou? Alles wat er in de pastorie op me afkwam, was nieuw.” In die tijd kreeg Hendrikse van een collega-predikant ’het mooiste compliment ooit’. Die zei over een van zijn preken: „Dit is kerkelijk volstrekt irrelevant.”

Maar, zegt Hendrikse, in zijn Zierikzeese vrijzinnig-hervormde gemeente kreeg hij alle ruimte. Hij ’staat’ er nog steeds. Tegelijkertijd is hij dominee in Middelburg, waar hij nu woont.

Hendrikse staat vermeld in het ’Kerkelijk jaarboek’ van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), maar een band voelt hij er niet mee. „Post uit Utrecht, het PKN-hoofdkantoor, gaat meestal de prullenmand in. Komt er wat over Israël, of over diaconaat. Dat lees ik niet eens. Het enige wat ik openmaak is post over mijn rechtspositie als predikant.”

Hoe vrijzinnig Hendrikse – een gebruinde eind-vijftiger – ook is, de PKN heeft hem er, een beetje tot zijn eigen verbazing, nimmer uitgegooid,

In Zierikzee en Middelburg, zegt Hendrikse, heeft hij zich nooit ’belemmerd’ gevoeld. Maar elders uit preken gaan, dat doet hij weinig meer. „Want zelfs als ik me inhoud, sidderen mensen.’’

Als Hendrikse ’vrijzinnig’ zegt, bedoelt hij ook vrijzinnig. Niet dat halve werk. „Quasi-vrijzinnigheid, vreselijk. Ik zie geen heil in ’Op Goed Gerucht, die club van jonge dominees in de PKN. Met behulp van dichters, kunstenaars, cabaretiers treden ze de secularisatie goedgemutst tegemoet, maar het jasje blijft strak christelijk. Het lijkt wel een opwekkingsbeweging.”

Volgens Hendrikse is God geen wezen, hij bestaat niet, en daar moet je je taal aan aanpassen. Zonder concessies. „Voor je het weet gaat het tóch weer over een God die hemel en aarde gemaakt heeft. Terwijl dat een onbijbels beeld is.’’

Wat doet híj in een kerkdienst? Hendrikse wil ’verstaanbaar’ zijn voor binnenlopers. „Dus ik bezig niet die achterlijke taal van broeders en zusters en consistorie en scriba.’’

Hendrikse heeft een voorbeeld: Harry Kuitert, vanwege zijn liberale opvattingen het enfant terrible van de PKN. „Kuitert is inspirerend, maar hij gaat niet ver genoeg. Hij zegt: gebeden, dat zijn rituelen, dus moet je de liturgische taal in stand houden. Ik vind: weg ermee. Het is geheimtaal, alleen begrijpelijk voor een uitstervend ras. Kijk, in de kerk ben ik ook stil, en ik zeg ook wel wat, maar ik richt het woord niet tot God. Deed ik dat wel, dan maakte ik me medeplichtig aan de suggestie dat er een collectief aanspreekbare God is. Dat gelooft toch geen mens meer? Nou dan!’’

En als een patiënt net een beroerd bericht heeft gehad, wat doet Hendrikse dan?

„Als ik naar het ziekenhuis ga, dan heb ik niks bij me. Geen bijbeltje, geen gebed. Dat is moeilijk hoor. Ik ben weleens jaloers op zo’n dominee die dan gaat zitten bidden. Mij loopt juist soms het zweet over de rug. Maar het gaat meestal goed.

Ik heb wel eens beleefd dat een man op sterven lag en zei: dominee, zeg maar niks, ik heb Zijn Hand al vast. Tja, dan ga ik natuurlijk niet in discussie, daar is het te teer voor.’’

Maar onzin vindt Hendrikse dat natuurlijk wel. Hij is een ’paradox-predikant’. „Ik geloof dat God niet bestaat, ik ben atheïst, en ik ben dominee omdat ik in God geloof. Ik geloof dus in een God die niet bestaat.’’

Van dat atheïsme hangt de toekomst van de PKN af, zegt Hendrikse, die daarbij het ’zuivere atheïsme’ bedoelt (zie inzet). Daardoor worden de vragen die onder de kerkelijke antwoorden liggen, weer zichtbaar. Dat maakt de kerk voor een nieuwe generatie aantrekkelijk.

Hoe dat er uitziet? In ieder geval ’anders’.

Het orgel zwijgt meestal, er is een lezing, een strijkje, de bespreking van een film. Op de boekentafel ligt de Bijbel, naast Koran en Veda-geschriften, naast boeken van Toon Tellegen en de krant.

De kerk (‘PKN 2006+’) lijkt op een eetcafé. „Daar kan iedereen terecht die trek heeft in geestelijk voedsel. Kerkgangers, maar ook ietsisten, soloreligieuzen die alleen aanschuiven als ze geen zin hebben om alleen te eten. Reli-shoppers kunnen er boodschappen doen, zweefgelovigen kunnen er een zachte landing maken, ’minimale christenen’ kunnen er op z’n minst een drankje halen. Iedereen die religieus niet onverschillig is, ziet er z’n eigen vragen op het menu staan.’’

Dát zal aanslaan, denkt Hendrikse: er is een ’enorme honger’ naar. Dat merkte hij laatst, tijdens een lezing van Hans Stolp, esoterisch predikant. „De hele tent zat vol in Zierikzee.” Naar Hendrikses smaak grossierde Stolp daarbij wel in antwoorden. Met onverholen weerzin: „Hij weet alles over waar we vandaan komen en hoe het hierboven is.’’

Dat ligt Hendrikse niet, zekerheden. Op het menu van ’PKN 2006+’ ontbreekt het gerecht ’antwoorden’. „Ik heb veel mensen rustig zien sterven zónder. Met meer vragen dan antwoorden. Aan die vragen mag ik er graag een paar toevoegen.”

Denkt Hendrikse echt dat zijn atheïstisch recept de kerkelijk leegloop zal keren?

Hij aarzelt. „Doorgaan op de oude voet, dat gaat toch niet meer? Ik ben begaan met de toekomst van de kerk. We moeten op het experiment gokken. Er is genoeg expertise om het te proberen, maar de durf, of de wil, ontbreekt. De kerk is zó naarbinnen gericht. Ze denkt een boodschap voor de wereld te hebben, maar ze heeft niet in de gaten dat de wereld daar geen boodschap aan heeft.”

Is er nog toekomst voor het traditionele in zijn kerk, met bijbehorende zekerheden? Hendrikse, grootmoedig: „Da’s voor af en toe, bij de nostalgische diensten. Dan rijden we de preekstoel-op-wieltjes binnen, en de kast met antependia, liedboeken en collectezakken mag dan open.”

Als het aan Hendrikse ligt, krijgt de kerk een ’divisiestructuur’, een A-afdeling voor de atheïsten en de B-afdeling voor de behoudenden.

Binnen de PKN groeit het aandeel orthodoxen, niet door aanwas, maar door afkalving onder minder rechtzinnigen. Is er wel een markt voor Hendrikses atheïsme? Wie zijn z’n geestverwanten?

„Die zijn er nauwelijks”, erkent Hendrikse terwijl hij een sigaret opsteekt. Ook na enig nadenken weet hij binnen de jongere generatie niet één naam te noemen.

„Ik ben eigenlijk hartstikke eenzaam”, grijnst hij. Dan blaast hij de rook uit, om er in de tale Kanaüns aan toe te voegen: „Een roepende in de woestijn.”

mailIcon print |