De opmerkelijkste reactie op het vonnis over het Hofstad-proces kwam uit Madrid. Daar zei het VVD-kamerlid Ayaan Hirsi Ali tegen de Volkskrant dat het een 'politieke uitspraak' is die 'dicht in de buurt komt van het strafbaar stellen van apologie' . In NRC/Handelsblad lichtte zij toe: ,,Ik heb een boek van Bin Laden in mijn bezit, dat ik verspreid. Ben ik daardoor ook schuldig aan bedreiging van de openbare orde?“ Bovendien, zegt ze, staat veel van het gedachtegoed van de Hofstadgroep gewoon in de Koran. Ze verwacht daarom dat het vonnis in hoger beroep vernietigd wordt.
Het opmerkelijke is dat zij rechters ervan beschuldigt aan politiek te doen. Rechters moeten zich aan de wet houden en dat hebben ze in haar beleving kennelijk niet gedaan, want anders zouden zij de Hofstadjongen niet hebben mogen veroordelen. Indirect veroordeelde ze daarmee ook haar collega-kamerleden die juist beweerden dat het vonnis bewijst dat de nieuwe antiterrorismewet werkt. Maar anderzijds was Hirsi Ali ook weer niet zeker van haar zaak, want in hetzelfde krantenartikel kondigt ze aan dat ze met de VVD-fractie gaat overleggen of het nieuwe wetsartikel 140a (op grond waarvan de Hofstadgroep zou zijn aangemerkt als een terroristische organisatie) wellicht opnieuw moet worden aangepast. Volgens haar moet het mogelijk blijven om haat te zaaien, opruiende taal te spreken en te dreigen, zolang het maar bij woorden blijft.
Opmerkelijker is dat Hirsi Ali met deze warrige reactie zowel het gelijk als het ongelijk aan haar kant heeft. Haar gelijk is dat de Hofstadgroep op basis van de antiterrorismewet niet veroordeeld had mogen worden. Dat klopt. Maar dat heeft de rechtbank ook maar zijdelings gedaan. Deze wet introduceerde twee nieuwe strafbepalingen, het werven voor de gewapende strijd en samenspanning tegen de rechtsorde. De negen verdachten werden voor geen van beide delicten veroordeeld. Daarnaast opende de wet de mogelijkheid bestaande delicten zoals bedreiging of deelneming aan een criminele organisatie zwaarder te straffen als die gepleegd werden met een terroristisch oogmerk. Voor dat laatste bleek een ingewikkelde constructie nodig.
Kortom, al die politici die zich op de borst kloppen dat dankzij hun wetgeving die Hofstadjongens toch maar mooi achter de tralies zijn gezet, zaten ernaast. Treurig maar waar, ze hebben domweg niets van hun eigen wet begrepen. Uiteindelijk werden deze jongens vooral veroordeeld op basis van oude wetgeving, aangevuld met een vondst van de rechtbank. De oude wetgeving zegt dat haatzaaien, opruien en bedreigen niet mag. Omdat het lastig is dat per individu te bewijzen, heeft de rechtbank gesteld dat deze strafbepalingen ook opgaan voor een groep. Maakt die zich schuldig aan deze delicten, dan mag je van een terroristische organisatie spreken, hoewel niet vaststaat dat het plegen van geweld de vooropgezette bedoeling was. Kortom, ook zonder antiterrorismewet waren de jongens op die grond veroordeeld.
Het ongelijk van Hirsi Ali zit in haar stelling dat de rechtbank er verstandiger aan gedaan had deze jongens vrij te spreken. Daarmee geeft ze blijk van haar naïeve geloof dat radicalisme alleen met het woord bestreden moet worden. Het is moedig om het zo te stellen en er ook naar te handelen. Maar zolang zulke radicalen van haar en van Pastors en Eerdmans en Wilders te horen krijgen dat hun godsdienst achterlijk is en levensgevaarlijk en zij bovendien het spookbeeld verspreiden dat alle moslims hier niets liever willen dan de sjaria invoeren, dan sterken zij hen alleen maar in het nut en de noodzaak van de djihad. Onder die omstandigheden zit er voor de rechtsstaat weinig anders op dan de vrijheid van meningsuiting van deze jongens te beperken, vanwege het haatzaaiende, opruiende en bedreigend karakter. Daarmee wordt immers de vrijheid van anderen belemmerd en daar heeft de rechtbank terecht een grens gesteld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.