De tv-recensent van het liberale avondblad schreef deze week naar aanleiding van de cartoon-kwestie dat blasfemie 'een noodzakelijke fase lijkt in een secularisatieproces'. Je zou kunnen stellen, concludeerde hij, dat moslims in Europa op het punt verkeren waar christenen zich in 1964 bevonden. Hoewel de schrijver niet al te stellig wilde overkomen of behoedzaamheid veinsde, valt de verwatenheid van zijn visie nauwelijks over het hoofd te zien. Iemand met een religieuze overtuiging zou zich in een infantiele ontwikkelingsfase bevinden en moet nog enkele kinderziekten, zoals een tv-satire op het Onze Vader of een spotprent over de profeet Mohammed, overwinnen alvorens de volwassenheid, misschien zelfs wel de heerlijkheid, van de seculiere, libertijnse samenleving te bereiken.
De visie werpt een verhelderend licht op de staat der Nederlanders in het publieke en politieke debat over de integratie van andersdenken in onze samenleving. Daarin nemen de VVD, D66, GroenLinks en LPF ruwweg dezelfde positie in als de liberale tv-recensent. In het korte kamerdebatje over de cartoonkwestie afgelopen dinsdag wierpen zij zich op als de onverbiddelijke verdedigers van de libertijnse samenleving, met wie over de betekenis van het essentiële recht van persvrijheid niet valt te marchanderen. Op één punt mogen we absoluut niet buigen, zei GroenLinks-aanvoerster Halsema, en dat is het punt van de persvrijheid. Ze verwachtte van Balkenende dat hij het 'zonder enige terughoudendheid en zonder enige reserve' voor de persvrijheid zou opnemen. Het VVD-kamerlid Hirsi Ali versterkte later in de week op een persconferentie in Berlijn de absolute uitleg nog door het grondrecht 'ononderhandelbaar' te noemen.
Het spreekt bijna vanzelf dat de media en politici die er genuanceerd tegenaan kijken in de ogen van onze libertijnse schikgodinnen niet deugen. Hirsi Ali noemde hen 'ruggegraatloos en middelmatig' en verweet met Halsema de premier gebrek aan lef en fermheid, louter omdat hij op de tweezijdigheid van de uitingsvrijheid wees. Ieder die van het recht gebruik maakt, zei Balkenende, heeft rekening te houden met wat zijn uiting voor een ander betekent. Dat een evenwichtige benadering aan de libertijnen niet is besteed, is tamelijk verontrustend. De onverbiddelijkheid van hun opstelling laat andersdenkenden immers geen andere keuze dan zich aan te passen of op te krassen.
Wie zijn eigen cultuur voor superieur houdt, is zelfs niet bereid het gesprek aan te gaan en zal op het moment dat hij zijn cultuur bedreigd ziet andersdenkenden als vijand gaan beschouwen. Dat lot treft nu zelfs de SGP, die meer dan tachtig jaar in ons midden een plaats heeft gehad, maar voor haar voortbestaan moet vrezen nu de overheid haar op last van de Haagse rechtbank geen subsidie meer geeft. Vanuit de dominante libertijnse positie is altijd met een meewarig oog neergezien op dit als achterlijk beschouwde restant van het Hollandse calvinisme. Nu wordt het ineens voor een bedreigend bruggenhoofd gehouden voor moslims die hun vrouwen eronder willen houden. Voor de minder orthodoxe christenen is er nog wel plaats, immuun als ze inmiddels zijn voor de spot en hoon van de heidense buitenwereld, die op dit punt, ook door gebrek aan weerwerk van christenen, steeds minder grenzen is gaan zien.
In dat licht is het nog begrijpelijk ook dat de libertijnen zich lam zijn geschrokken, sinds ze zich van de aanwezigheid van 800000 moslims in hun Hedonia bewust zijn geworden. Die schrik kwam des te harder aan, waar juist aan het eind van de vorige eeuw de agenda van de culturele revolutie dertig jaar eerder zijn politieke voltooiing vond in wetten die het zelfbeschikkingsrecht van het individu voorop zetten. Dat bij die wetgeving geen rekening werd gehouden met de gevoeligheden van traditionele minderheden, laat staan van nieuwe, gaf ondanks de afstand die werd geschapen eerder reden tot triomfalisme dan tot bezorgheid.
Met het verabsoluteren van de persvrijheid in de cartoonkwestie laten de libertijnen zien dat zij niet in het minst concessie willen doen. Halsema zette zelfs de dialoog even op het tweede plan, alsof dit een zaak is die exclusief ons, autochtone Nederlanders, aangaat. Ze zal het wel gek vinden dat ik me als professioneel gebruiker van de persvrijheid in het geheel niet veilig voel bij haar, noch bij Hirsi Ali, terwijl ik allerminst het gevoel heb dat ik 'respectvol zwijgend inkrimp onder het geheven kromzwaard van de islam', zoals onze tv-recensent gisteren veronderstelde.
Een van de redenen is dat ik er niet zo zeker van ben dat degenen die nu de vrijheid verdedigen van de Deense cartoonist, dat net zo wakker doen als hun cultuur eens het mikpunt is van schimpscheuten. De consistentie is vooral de laatste jaren op dit vlak ver te zoeken, de liberale minister Verdonk schiet al in de kramp als ze wordt geconfronteerd met een geestelijke die haar vanwege zijn religie geen hand wil geven of met een geremigreerd Kosovaars meisje dat op inventieve wijze poogt hier haar gymnasium af te maken.
Veel meer thuis voel ik me bij politici als Balkenende en PvdA-leider Bos, die de cartoonkwestie evenwichtig benaderden onder de nuchtere erkenning dat grondrechten nooit een absolute betekenis hebben en altijd tweezijdig zijn. Dat bewustzijn houdt voor journalisten helemaal niet in dat zij zich aan zelfcensuur onderwerpen of het met de vrijheid van meningsuiting op een akkoordje gooien. Dat Hirsi Ali het zo voorstelt, zegt alles over de libertijnse djihad die zij voert, maar niets over de risico's voor de uitingsvrijheid.
Het is hoopgevend dat Wouter Bos, met de verkiezingen in zicht, evenwicht en een rustige toonzetting heeft gevonden in de benadering van de integratiekwestie. Daarmee kan hij, samen met politici als Balkenende, Donner en Wiegel, meer tegenwicht bieden aan de libertijnen, die licht hysterische trekken vertonen en verkrampt, maar ook steeds harder, op andersdenkende minderheden reageren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.