*

 

Leraar geeft regie uit handen

Tekst Somajeh Ghaeminia − 01/12/07, 00:00

Voor de elfde keer biedt Trouw de prestaties van het voortgezet onderwijs. Op deze pagina's een reportage uit een vmbo-school die hoog scoort, en antwoord op de vraag: wat doen scholen met de cijfers? Daarna de lijsten met alle gegevens.

De gang naar het ’leerwerkhuis’ is koud en vervallen. Desondanks is deze etage in het meer dan vijftig jaar oude gebouw van het Almere College in Kampen de trots van afdelingsleider Ray Haze. Want sinds de invoering van het zogeheten leerwerkhuis, gaat het heel goed met de bovenbouw van het vmbo (135 leerlingen), waaraan hij leiding geeft.

In het leerwerkhuis studeren en werken leerlingen zelfstandig aan de hand van een studiewijzer. De afdeling basisberoepsgerichte leerweg van deze school komt dit jaar als beste uit het Schoolonderzoek van Trouw. Het percentage leerlingen dat hier zonder vertraging een diploma haalt is 97 procent. Het gemiddelde examencijfer: 7,2. Ook vorig jaar was het Almere College de beste vmbo-ba-school, zij het dat toen om een gedeelde eerste plaats ging.

Dat het goed gaat met de school, blijkt ook uit het aantal nieuwe leerlingen: dat groeide de afgelopen tijd met 15 procent. Haze hoopt daarom van harte dat zijn school het slechte imago van het vmbo bij de buitenwereld kan weerspreken.

Het welslagen van de school wordt niet alleen bepaald door het leerwerkhuis. De kracht ligt ook in het sterke docententeam, de invoering van een stage voor de vierdeklassers en ’de levensechte opdrachten’ die de leerlingen moeten uitvoeren. Haze somt het vol enthousiasme op.

„We hebben de afgelopen jaren keihard gewerkt”, zegt hij in zijn sfeervolle werkkamer. Twee jaar geleden begon de school met de invoering van het leerwerkhuis. Het mag niet ’nieuw leren’ heten, want dat is volgens Haze een ’besmet woord’.

Een jaar aan voorbereiding ging vooraf aan het begin van het leerwerkhuis. „Het was heel spannend, zou het gaan werken? Konden vmbo’ers deze zelfstandigheid aan?” De kloof tussen het vmbo en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) moest kleiner worden, vond Haze. „Een diploma is slechts een toegangsbewijs. Maar de leerlingen moeten ook verder. Wij proberen ze meer mee te geven, ze klaar te maken voor het mbo en de maatschappij. Daar wordt van ze verwacht dat ze kunnen plannen, samenwerken en op tijd komen.” Deze vaardigheden leren leerlingen niet door klassikale lessen alleen maar door zelfstandig te werken, legt Haze uit.

Maar wat de school zelf in theorie had bedacht, bleek soms in de praktijk niet te kloppen. „Het eerste jaar hebben we met het team iedere woensdagmiddag over het leerwerkhuis vergaderd. We moesten veel bijstellen”, gaat Haze verder. „Voor de docenten was het een grote omslag. Zij hadden niet meer de totale regie in handen. Ze moesten meer dan ooit samenwerken. We hebben met elkaar geoefend hoe daarmee om te gaan. Hoe zeg je bijvoorbeeld tegen een collega dat je je ergert aan hem?”

Na twee jaar blijkt de invoering van het nieuwe systeem een succes. Gemiddeld brengen de leerlingen zes รก zeven uur per week door in het leerwerkhuis waar docenten en onderwijsassistenten rondlopen. Haze: „De leerlingen maken drie keer per week zelfstandig een toets Engels op de computer. De cijfers schieten omhoog.”

„Dat is wel heel fijn”, zegt Dominico Hollander (15) die in de onderbouw weinig goede resultaten haalde. „Nu heb ik goede cijfers, door het leerwerkhuis.” Hij is net terug van een stage van vijf weken bij een schildersbedrijf. „Het was koud en zwaar maar veel leuker dan school”, zegt Dominico. Door deze stage ziet hij een schilderscarrière zeker zitten. Als leerling van sector bouwtechniek mag hij misschien ook nog helpen bij de sloop van het oude schoolgebouw, dat voor volgend jaar gepland staat.

Dat sluit weer aan bij ’de levensechte opdrachten’, waarmee de school werkt. „Zo zijn leerlingen bouwtechniek laatst bij de kinderboerderij aan de slag gegaan”, vervolgt Haze. „Ze hebben het kantoor van de beheerder verbouwd en de dierenverblijven geschilderd. Leerlingen van sector zorg en welzijn nodigden ouderen uit om op school hun bloeddruk en hartslag op te laten meten. Daarna kregen de ouderen een gezichtsmasker en vervolgens een lunch. Zo hebben de leerlingen hun leerstof in praktijk gebracht. Dat is toch geweldig.”

Deze methode brengt veel goeds maar is niet zaligmakend, zeggen docentes zorg en welzijn Rianne van Zon en Marianne van Heerde in hun praktijklokaal. Een kleine dertig leerlingen werken er zelfstandig aan opdrachten. Een groepje onderzoekt hoe rolstoelvriendelijk de wijk is waarin de school staat. Een ander is bezig om een voorleesmiddag op een kleuterschool te regelen. Tussendoor komen ze met vragen bij de docenten en de onderwijsassistent, die de gemaakte afspraken in een logboek noteren voor andere collega’s.

„We moeten de meerwaarde van klassikale lessen niet vergeten”, vervolgt Van Zon. „Er wordt nu veel zelfstandigheid gevraagd van de leerlingen. Zorgleerlingen met ADHD of andere stoornissen die veel structuur en begeleiding nodig hebben, vallen daardoor tussen wal en schip. Daar maak ik mij grote zorgen over.”

„Eigenlijk”, zegt Van Heerde, „zou je een collega moeten hebben die alleen een groep zwakke leerlingen begeleidt. Ons ontbreekt het steeds weer in tijd. Door die leerwerkuren moeten we zo veel leerlingen tegelijk in de gaten houden. En iedereen is met iets anders bezig.”

Het is de maatschappij die deze leerlingen overvraagt, denken de docenten. Van Zon: „Terwijl we juist deze mensen zo hard nodig hebben.”

De vmbo’ers zelf zijn grotendeels tevreden; de meerderheid is blij met het leerwerkhuis, blijkt uit een eigen enquête. Ze voelen zich vrijer en zelfstandiger. En: hoe beter ze plannen en leren, hoe minder ze thuis moeten studeren. Als het aan de vijftienjarige Nico Kouer ligt, voeren ook andere scholen het leerwerkhuis in. „Nee, niet zeggen!”, fluistert schoolgenoot Wouter Agterhuis, „Straks doen zij het ook. Dan zijn we niet meer de beste school.”

mailIcon print |