*

 

Doe mij maar een broodje aap en een gekookt ei

Monic Slingerland − 09/10/07, 00:00

Iedereen heeft wel van die dingen waarvoor je altijd wakker gemaakt kunt worden en bij mij is dat een gekookt ei. Drie minuten, zodat het geel nog niet helemaal gestold is. Dat klinkt heel kieskeurig, maar dat ben ik helemaal niet. Die eis van het nog niet gestolde geel laat ik onmiddellijk vallen als ik in de kantine lunch of in een hotel ontbijt. De eieren zijn daar meestal al koud en wat te hard gekookt, maar dat kan me dan niet schelen. Op recepties waarbij er bladen met hapjes voorbijkomen kies ik altijd het gevulde ei. Het doet er niet toe waarmee het gevuld is. Van zichzelf heeft eiwit, zeker als het gekookt is, inderdaad weinig smaak. Waarin zit dan dat onweerstaanbare van een ei? Het begint al met het gevoel van het ei dat in de hand ligt, nog ongepeld. Voel maar, het past er precies in. Dan de schaal. Hard, maar toch ook weer niet. Een eierschaal geeft niet mee, maar stoot ook niet af. Het is heel sterk, zo dun als het is. Heel onbegrijpelijk. En dan de bolling, die juist niet precies rond is. Peren hebben dat ook, dat je allerlei verschillende routes over hun oppervlak kunt afleggen. Juist bij zo’n heel glad en egaal oppervlakte als een eischaal zou je een geometrische vorm verwachten, zoals een hockeybal. Dat sinaasappels wel eens een grillige vorm hebben, vooral die grote navelsinaasappels met een uitstulping bij het kroontje, dat is te verwachten, met zo’n bobbelige schil. Maar een ei, zo glad en toch niet een bol, dat is altijd weer een kleine verrassing. De smaak is altijd wel ongeveer hetzelfde en dat vind ik een voordeel. Vers zijn ze een beetje anders, lekkerder wel, maar een gekookt ei smaakt altijd naar gekookt ei. Je weet waar je aan begint, je weet wat je te wachten staat. Hoe het met mijn cholesterol zit? Er was eens een man die voor een wissewasje moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Een ziekenhuis in Nederland, als ik me goed herinner, maar het kan ook Engeland zijn geweest of zelfs de Verenigde Staten. Het was een beetje een zonderlinge man. Hij leefde alleen, hij bemoeide zich niet met veel mensen en misschien ging hij ook niet elke dag onder de douche. Nee, dat deed hij vast niet. Zulke mannen vinden dat niet nodig, of ze denken er niet aan. Maar wel at hij elke dag twintig gekookte eieren. Enkel omdat hij dat lekker vond, niet omdat iemand dat tegen hem zei. Daar vroeg hij in het ziekenhuis ook om. Eerst kreeg hij een formulier waarop hij kon invullen wat hij zoal wilde eten bij het ontbijt, de lunch en het avondeten. Bij hem kwam toen iemand langs die vroeg of dat klopte, iedere keer drie eieren. Ik stel me voor dat hij een beetje verlegen gezegd heeft dat hij er eigenlijk wel veel meer zou willen, omdat hij thuis altijd twintig eieren at. Maar dat hij dacht dat dat misschien wat veel was en dat hij daarom drie keer drie had ingevuld. Of de ziekenhuiskeuken hem zijn dagelijkse portie gaf, of dat ze negen eitjes welletjes vonden, weet ik niet meer. Wel is bij hem toen een cholesterolmeting gedaan, want in dat ziekenhuis begrepen ze dat dit een buitenkans was om te onderzoeken hoe het is om er zoveel van te eten. Niets aan de hand met zijn cholesterol. Waar ik dat verhaal gelezen heb, weet ik echt niet meer. Op Google is het niet zo gauw te vinden, maar dat doet er niet toe. Mijn grootmoeder schijnt dol geweest te zijn op een geklopt eitje met suiker. En geef mijn moeder maar een omelet. Dat is nu onze identiteit.

mailIcon print |