*

 

De verliezer moet zich bekeren

Stijntje Blankendaal − 22/09/07, 00:00

In het binnenland van Brazilië gaan christenen en moslims elkaar elk jaar zonder gêne te lijf. Dat de christenen winnen staat al sinds 1750 vast. De trots van de ’moren’ lijdt daar nooit onder.

Tegen een staalblauwe hemel wappert een rode vlag, met ster en halve maan in goud erop gestikt, aan de muur van een historisch pandje. Kinderen spelen voor de poort. ’Het is het huis van Juca’ roepen ze, ’ridder van de moren’.

Het bevindt zich in het achttiende-eeuwse plaatsje Corumbá de Goiás, in het binnenland van Brazilië, op ruim 100 kilometer van de hoofdstad Brasilia. Alles is er in voorbereiding van de jaarlijks gevoerde strijd tussen moren en christenen, die steevast eindigt in de overwinning van de christenen en de bekering van de moren.

Dona Maria do Carmo, 73, moeder van ridder Juca (José Quirino Gouvêa de Morães, 51) lacht, terwijl ze de gasten welkom heet: „Iedereen grapt altijd: de rode ridders zijn veel mooier dan de blauwe, waarom winnen dan toch de blauwe?”

De Cavalhada, zoals de traditie heet, is een middeleeuws spektakel op paarden, meegebracht met de kolonisatie door de Portugezen. Het verbeeldt de strijd in de achtste eeuw van Karel de Grote tegen de moorse invasie van Europa en werd in 1492 verzonnen door het Spaanse hof om de almacht van het christendom te onderstrepen. In het verhaal is er een ’akkoord’ tussen beide partijen: het ware geloof zou winnen en de overwonnene zou daarom het geloof van de ander aannemen.

Geen theater dat je heden ten dage in Europa zou opvoeren, maar in Brazilië leeft de traditie probleemloos op verschillende plekken voort. In Corumbá wordt de Cavalhada sinds 1750 opgevoerd. Maar drie keer werd de traditie onderbroken, de laatste keer in 1956, toen de koning van de moren overleed.

Juca, een kleine, slanke man met een door de zon gebrande huid, lichte ogen en een grote lach, is sinds 1980 de eerste van de tien moorse ridders, die achter de ambassadeur en de koning rijden. Sinds zijn verhuizing veertien jaar geleden uit Corumbá, toen hij ging zorgen voor de drie boerderijen van zijn vader, reist hij samen met zijn twee paarden ieder jaar honderden kilometers per vrachtwagen om mee te kunnen doen.

Juca, die een revolver uit Marokko en een zwaard uit India gebruikt bij het spel: „Niet iedereen kan zomaar meedoen. Je moet de sympathie van de anderen weten te winnen, meedoen aan alle gemeenschappelijke maaltijden, laten zien dat je een goede ruiter bent. Je begint als reserve.”

Je kiest meteen partij, is zijn ervaring. „Net zoiets als bij het voetbal. Ik beleef het personage in iedere zin van het woord, denk me in hoe een ridder van die tijd handelde en probeer zo goed mogelijk te zijn. Voor mij is het een zeer emotioneel gebeuren, de paarden, het publiek: iedereen leeft op bij de marsmuziek van de band.”

De strijd eindigt in verbroedering en feest, precies het moment waarop de wáre concurrentie tussen de christenen en moren plaatsvindt: bij het ringsteken. Juca lacht: „Vorig jaar hebben de christenen gewonnen, maar dat was voor het éérst. Je moet ook bijna een beetje geluk hebben en God aan je kant. Meestal is dat Mohammed.”

Christen Antônio Alves Magalhães, 69, die in 1956 slechts één keer als plaatsvervanger had meegedaan, maar in 1980 meteen tot koning werd verkozen, kijkt er ernstig onder. „Het geloof? Alle moren zijn in werkelijkheid katholieken, maar op het veld incorporeren ze de moslims. Onderling grappen we ’jij hebt geen geloof!’ Maar het is theater.”

Theater en werkelijkheid lopen dooreen op het moment van de bekering van de moren, als pater Ricardo Jorge, sinds twee jaar priester in Corumbá, het veld opkomt. Terwijl hij per ongeluk bijna omver wordt gereden door de christenen, roept hij vrolijk uit: „Wat als wíj hadden verloren, wat zou er dan van óns geworden zijn?!”

mailIcon print |