*

 

In glazen huis van de politiek was zelfs Colijn gesneuveld

Hans Goslinga − 01/12/07, 00:00

In Nijmegen is het gerucht over een intiem contact tussen een PvdA-wethouder en een VVD-raadslid in de fietsenkelder van het stadhuis een politiek feit geworden. De gemeenteraad wijdde er een debat aan en dat was voor de meeste media, waaronder ook deze krant, reden of misschien wel het verlossende sein om er kolommen voor uit te ruimen, nadat de website Geenstijl.nl en De Telegraaf waren voorgegaan. De vraag is natuurlijk welk publiek belang met dit affairetje is gediend?

De sociaal-democraat Anne Vondeling, bijgenaamd de schoolmeester, formuleerde in de jaren zeventig met de apostel Paulus in de hand de regel dat een politicus niet alleen het kwaad, maar ook de schijn des kwaads moet vermijden. De betekenis daarvan is duidelijk. De politiek moet omwille van haar integriteit bij het dienen van het publieke belang onkreukbaar zijn en hard en streng voor zichzelf. Deze gewoonteregel heeft een grotere reikwijdte dan alleen strafbare feiten; zij omvat ook de publieke moraal, zij het dat die minder precies is te omschrijven.

De liberaal Frits Bolkestein verdedigde als Kamerlid ooit de regel dat, ook voor een politicus, alles wat niet is verboden is toegestaan. Maar hij deed dat om zijn stiekeme lobbywerk voor een farmaceutisch bedrijf te rechtvaardigen en wekte daarom de indruk een gelegenheidsargument te gebruiken.

Hij wist natuurlijk heel goed dat het zo simpel niet ligt. Voor een politieke ambtsdrager speelt in samenhang met de moraal altijd ook de vraag mee of hij door omstreden privégedrag geloofwaardig kan blijven functioneren. Een politicus die huwelijkse kuisheid predikt en in de nachtelijke uren de gebraden haan uithangt kan niet verder, als zijn gedragingen bekend zouden worden.

De christen-democraat Hans Hillen heeft de parlementaire pers eind jaren negentig aangespoord de nachtvlinders onder zijn collega-Kamerleden te volgen en bij overspel publiekelijk aan de kaak te stellen. Hij gaf de journalisten daarbij nog de tip mee de ogen vooral op politici van PvdA en D66 te richten, want die waren volgens zijn zeggen op de Haagse matras het actiefst. Als motief voerde hij aan dat politici die op het seksgebied makkelijk zijn te verleiden dat op ander gebied misschien ook zijn.

Deze krant heeft de oproep van Hillen destijd als verwerpelijk afgedaan. Als politici elkaar op hun privégedrag de maat gaan nemen, is de ellende niet te overzien. In het politieke debat hoort het om politieke zaken te gaan en slechts om privégedrag als daartoe een dringende reden is. Het was precies om die reden dat de socialisten in 1936 weigerden mee te doen aan een poging de grote Hendrik Colijn vanwege een affaire met ’een vrouw van slechte reputatie’ beentje te lichten. Hoewel de aard van die verhouding nooit precies bekend is geworden, zagen katholieke politici die Colijn én de coalitie met protestanten en liberalen zat waren, er een stok in om de hond te slaan. Zij vingen echter bot bij de top van hun partij en bij de socialisten, die hen lieten weten dat zij wel de val van Colijn wensten, ’maar alleen op politiek terrein en niet door hem vanwege persoonlijk gedrag met vuil te werpen’.

Hillen heeft in zoverre zijn zin gekregen dat omstreden privégedrag nu sneller op straat ligt dan in Colijns tijd. De politieke elite ging er in die dagen discreet mee om, maar gebruikte pikante feiten wel, als het zo uitkwam, om tegenstanders te treffen. Dat gevaar is nog altijd reëel en zou media en politiek, zeker als het om geruchten gaat, tot grotere terughoudendheid moeten leiden dan nu aan de dag is gelegd. De regel van Vondeling is waardevol, maar biedt ook ruimte voor misbruik en voor beschadiging van politici en het politieke bedrijf.

Voor zover de Nijmeegse zaak iets leert is het dat politici niet langer alleen in overdrachtelijke zin, maar bijna letterlijk in een glazen huis verkeren, zoals de spelers in een realitysoap dat op basis van vrijwilligheid doen. Ze moeten zich daarvan bewust zijn en er rekening mee houden, maar de transparantie kan ook doorslaan en zelfs totalitaire trekken krijgen. De vele camera’s in de publieke ruimte zijn een concrete uitdrukking van het panopticum waarin onze samenleving geleidelijk verandert.

Tegelijk is er een tendens, zeker bij nieuwe media zoals Geenstijl.nl, om zonder scrupules de laatste muren van beslotenheid te slechten. Deze week schreef het gratis dagblad De Pers, ook een nieuwkomer in medialand, op basis van een anonieme bron over het drankgebruik van een oud-minister en een journalist in de sociëteit van het perscentrum Nieuwspoort. Dat is niet eerder zo onverbloemd gedaan. De wethouder in Nijmegen lijkt het slachtoffer van beide fenomenen, alsook van het conformisme van serieuze media. De angst om iets te missen is een van de zwakste plekken van de journalistiek.

In de politiek staat de bescherming van de privacy niet hoog meer op de agenda. Een dag na 11 september 2001 verklaarde het CDA-Kamerlid Verhagen dat in de strijd tegen het terrorisme niet viel te ontkomen aan aantasting van de bewegingsvrijheid en de privacy van burgers. Misschien was de slinger vanaf de jaren zestig te veel naar het belang van de persoonlijke levenssfeer doorgeslagen. Maar nu het, ook door de technologische mogelijkheden, in snel tempo de andere kant op gaat, valt het gebrek aan politiek tegenwicht op.

De Nijmeegse affaire maakt op ironische wijze duidelijk dat meer veiligheid niet in alle opzichten tot een veiliger omgeving leidt. De gedachte dat zelfs de grote Colijn in deze tijd zijn affaire waarschijnlijk niet had overleefd, moet tot nadenken stemmen.

mailIcon print |