*

 

’Teken van armoede dat er geen helden en heldinnen zijn’

Rob Velthuis − 08/09/07, 00:00

„Dit soort interviews moet ik niet te vaak doen. Ik word er kotsmisselijk van om in de spiegel te kijken. Je praat over je ego, over je eigen beleving. Dat is niet prettig.”

Gerard Nijboer staat bekend als een sociaal mens. Het is geen toeval dat hij marathonlopen combineerde met werk in de psychiatrische verpleging.

Als atleet kwam hij op voor anderen. Hij ageerde tegen de bond als loyale atleten of begeleiders onheus werden bejegend. De wegatleten waren in die tijd succesvol en vormden een hechte groep.

Toch moest de Drent ook egoïstisch zijn, het is niet anders bij perfectionisten. „Ik heb mensen op een slinkse manier gebruikt. Tijdens trainingskampen zorgde ik dat de eerste bidon voor mij was, ik zat als eerste aan tafel. Als de pan leeg ging, was ik daar verantwoordelijk voor. Collega’s vonden me terecht wel eens een boer.”

Desondanks ging er veel fout. „Op de Olympische Spelen liep ik mijn vijfde marathon in anderhalf jaar tijd. Dat was niet goed voor mijn lijf. Ik boekte ongekende resultaten, maar was grillig. Dat is voor de meeste lopers het kenmerk van de marathon.”

„Ik had bewondering voor mensen die er op het juiste moment stonden. Zoals Cierpinski (olympisch kampioen 1976 en 1980, red.), mijn grote held. Hij deed lullige dingen, veegde drankjes weg voor de neus van concurrenten. Dat vond ik niet zo erg. Ik zou dat zelf niet doen, maar kon me er iets bij voorstellen.”

Begin jaren tachtig was het pionieren. Nijboer had het lichaam van een wielrenner, was te zwaar voor marathonlopen. Na zijn ’onmogelijke’ olympische succes in Moskou waren de vooruitzichten door een mysterieuze knieblessure somber.

„Er was geen sportgeneeskunde, de specialisten wisten het niet en opereren was riskant. Ik moest mijn knie laten vastzetten, dat soort adviezen kreeg ik. Ik had een aangeboren afwijking, door een foutieve stand van voeten en bekken schuurde de knieschijf over het kniebot van het dijbeen. Maar er was geen onherstelbare schade.”

De revalidatie vlotte niet. Fitnesscentra noch halterbanken waren voorhanden. „Ik zat op een tafel met een boodschappenmand met vijf kilo suiker aan de voet mijn been uit te schoppen. Heel instabiel, de blessure werd er alleen maar erger door. Mijn schoonvader heeft toen de halterbanken van Papendal nagemaakt. Die in elkaar gelaste apparaten heb ik nog steeds.”

Na de Europese titel van Athene liep Nijboer nog tien jaar marathons, slechts sporadisch waren die van topkwaliteit. „Ik kon er geen vat op krijgen. Topsporters waren chronisch moe. Ik trainde en had een baan, dat was niet te doen.”

„Nu zijn atleten profs. Inderdaad, niemand presteert wat ik heb gepresteerd. Ik kan het ook anders zeggen: ik heb veel laten liggen. Topsportarts Peter Vergouwen zei: ’Je moet prof worden, je bent constant geblesseerd wegens overbelasting’. Ik wilde wel, mits iemand me kon garanderen dat ik twee jaar blessurevrij zou zijn.”

In 1997 werd Nijboer coördinator wegatletiek. Het werd een cultuurshock. Hij miste bij de lopers de bereidheid tot samenwerking en het plezier in de sport. Er werd amper gepresteerd, toch werd er niet naar hem geluisterd.

„Ik ben nu weer bij mijn roots, ik geef de sport mijn ervaring terug. Ik promoot de loopsport op basis van gezondheidszorg. 65 procent van de mensen die lopen gaat voor gezondheid en fitheid, slechts 15 procent voor prestaties. Bij de atletiekunie gingen we voor prestaties, maar we zeiden er ook voor de loopsport te zijn. Ik wil bijdragen aan de omslag die nodig is.”

„De kracht van de wegatletiek is dat breedtesport en topsport aan elkaar zijn verbonden. We hebben helden en heldinnen nodig. Het is een teken van armoede dat die er niet zijn. Dat zie ik ook terug in de lage arbeidsambities. Hoogopgeleiden die buschauffeur worden. Dat is exemplarisch voor deze tijd.”

mailIcon print |